(To read in English, please scroll down)
Het is ongelooflijk hoe weinig ik van onze familiegeschiedenis wist. Ja, ik had een foto van ons familiewapen en een stamboom op papier, een lijst met namen en data, maar wat zegt dat nou helemaal. Nu, drie jaar nadat ik ben begonnen met familieonderzoek, is het niet te geloven hoeveel ik over mijn familiegeschiedenis heb ontdekt en kan ik me niet meer voorstellen dat ik dit slechts een paar jaar geleden nog niet wist.
Tijdens mijn contact met de schrijvers van het boek “He(c)kman in Noordoost Nederland” (Meindert van der Woude en Grietje Hekman) kwam ik erachter dat minstens zes generaties Hekman schippers zijn geweest.
Een van mijn geboortenamen is Edskiena. Edsko is in de familie Hekman een veel voorkomende naam, maar Edskiena komt voor zo ver ik weet slechts twee keer voor, t.w. in de geboortenaam van mijn tante en van mij. Toen Grietje Hekman mijn naam las in een van mijn emails aan haar kwam ze terug met: “Dag Schipperske, je naam vertelt me dat je voorouders schippers zijn geweest en dat je een echte Hekman bent.
Er zijn minstens zes generaties Hekman schippers geweest en de vrouw van een schipper werd schipperske genoemd. Schepen hebben vrouwelijke namen zoals de Marchiena van Pieter Hekman. Een schip zou Edskiena of Jantiena kunnen heten.” Grietje heeft me altijd Schipperske genoemd en dat heeft me om wat voor reden ook altijd veel gedaan.
Zoals gezegd, minstens zes generaties Hekman zijn schippers geweest. Zij leefden met hun grote gezinnen aan boord van hun schip. Hun leefruimte was klein, hun gezinnen groot. In een artikel over het leven van de Groninger Schipper in de 19e eeuw lezen we het volgende: “Het leven van een schipper en zijn gezin speelde zich af aan boord van zijn schip. Niet zelden verbleven ze met acht tot twaalf personen in het achteronder. “In een ruimte die op het land zelfs als woning van één mens zou worden afgekeurd, leeft daar een hele familie, slaapt er, kookt er, vertoeft er met slecht weer de hele dag, moet er alle huiselijke bezigheden verrichten…..”, aldus het verslag van een staatscommissie, naar aanleiding van veel binnengekomen klachten.
Op de vraag hoe dat mogelijk was, antwoordde de schipper: “Het ging gewoon .. hoe anders ?” Zelf vaak afkomstig uit een schippersfamilie, waren de schipper en zijn vrouw gewend aan de kleine ruimte. Veel persoonlijke spullen had men niet en de woonruimte was efficiënt ingedeeld. Hoe groter de schepen, hoe ruimer het achteronder. Het moest echter een grote tjalk zijn, waar het achteronder twee meter lang, drie meter breed en één meter tachtig hoog was.
Aan alle zijden van het scheepsachteronder waren langs de rondingen van het schip kastjes, zitbanken en bedsteden getimmerd. Achter onder het luik, de enige toegang tot de woonruimte, was een zogenaamde stapbank aangebracht die zowel tot zitplaats, tot bergplaats als tot opstap voor de uitgang door het luik dienst deed.
Een koekoek zorgde voor de lichtinval en ventilatie. Bij regenachtig weer moest het luik worden gesloten en liet de luchtverversing te wensen over. Licht kwam verder alleen binnen via twee kleine poortjes in de kont van het schip.
Men leefde aan dek, en alleen bij slecht weer, als men gedwongen was onderin te wonen, was het logies te klein. Zowel aan stuurboord als aan bakboord bevonden zich vrij ruime kastjes, kabinetjes genaamd. Midden tegen de wand met het ruim stond de kachel. Aan de ene zijde daarvan bevond zich de bedstede voor de schipper en zijn vrouw. Aan de andere zijde was de doorgang naar het ruim, waar ook de tweede slaapplaats, de kinderkooi, was te vinden. De kinderen sliepen soms met opgetrokken knieën en met meerdere bij elkaar.
Veel comfort was er niet aanwezig, maar de schipper klaagde daarover niet en noemde zijn achterondertje een zeer gezellig tehuis.”
Uit: Als de dag van gisteren: honderd jaar Groningers
Foto: MOK-werf Raalte
De schippersvrouw, Schipperske, werkte net zo hard mee. Ze was moeder, deed het huishouden en het schipperswerk. En, als de familie niet genoeg geld had om een “Scheepsjager” te huren, een persoon die met behulp van een paard het schip door het water trok over de zogenaamde jagerspaden, dan werd de vrouw voor het schip gespannen en moest zij dit zware werk verrichten. De schippers plachten te zeggen: “Wel sien wief laif het hold heur veur d’ogen” ……… “Wie zijn vrouw lief heeft houdt haar voor zijn ogen”.
Veel Hekman schippers voeren op het Winschoterdiep van Groningen naar Delfzijl en terug. Ze vervoerden graan en turf en later ook hout. De eerste schipper die wij tegenkomen in onze familie is Jan Egberts Hekman (1768-1824). Hij verruilde het leven op het boerenland voor het leven op het water. Door de vele waterwegen in (Noord) Nederland en de industrie die zich rond de waterwegen had ontwikkeld was de vraag naar transport van goederen en personen groot.
In de tweede helft van de 19e eeuw werd het werk van de schippers bedreigd door de komst van de trein en het uitgebreide wegennetwerk op het land. Veel Hekmannen komen dan ook aan wal om daar als arbeider of koopman te gaan werken.
Mijn overgrootvader Jan Hekman (1837-1887) is nog schipper geweest, mijn opa Edsko Hekman (1877-1956) niet meer.
Ik hoop vurig dat mijn voormoeders nooit als Scheepsjagers zijn gebruikt.
Hoofdfoto: J.P. Koers
ENGLISH VERSION
Schipperske
It’s incredible how little I knew about our family history. Yes, I had a picture of our family crest and a pedigree on paper, a list of names and dates, but what does that say. Now, three years after I started researching family history and genealogy, it is unbelievable how much I’ve discovered and now I can hardly imagine that I didn’t know this just a few years ago.
During my contact with the authors of the book “He(c)kman in Noordosst Nederland” (Meindert van der Woude and Grietje Hekman) I discovered that at least six Hekman generations have been skippers.
One of my names of birth is Edskiena. Edsko is a common name in the Hekman family. As far as I know, Edskiena only occurs twice, in the name of birth of my aunt and me. When Grietje Hekman read my name in one of my Emails, she came back with: “Hi Schipperske, your name tells me that your ancestors were skippers and that you are a real Hekman.
There have been at least six generations of Hekman skippers and a skipper’s wife was called schipperske. Ships have female names such as the Marchiena of Pieter Hekman. A ship could have been named Edskiena or Jantiena.” Grietje always called me Schipperske which for whatever reason deeply touched me.
As said, at least six Hekman generations have been skippers. They lived aboard their ships with their large families. Their living space was small, their families large. In an article about the life of the Groninger Schipper in the 19th century we read:
“The life of a skipper and his family played out on board of his ship. Often from eight to twelve people lived in the rear hold of the ship. “In a space which on land, even as a dwelling for one person, would be condemned, there lived a whole family. There they slept, cooked, and during bad weather stayed for whole days, to perform all domestic duties.” This according to a report of a Government Commission investigating the complaints about the situation.
If you asked the skipper about this, he would answer, “that’s our life…what else? Often descendants of a skippersfamily, the skipper and his wife, had become used to the cramped quarters. They had few personal possessions, and the living space was efficiently organized. How larger the ship, how more space in the rear hold. If it were a large tjalk the rear hold might be 2m in length, 3m in width and 1.8m in height.
On each side of the ship’s rear hold were cupboards, benches and bunks built against the sloping sides. Below the trap door, the only entrance to the living space, there was a so-called step-bench, used as a seat as well as storage for the steps to the exit.
A sky-light provided light as well as ventilation. During rainy weather the trap door was kept closed and ventilation left much to be desired. The only other light came via two small port holes in the rear of the ship.
The deck was the living area and only by inclement weather was the family forced to live below and was the living area too small. Both on the port and starboard side were rather roomy cupboards (cabinets). A wall separated the front hold (the cargo hold) from the rear living quarters. Centered on the separating wall was the stove. On one side of the stove was the sleeping bench for the skipper and wife. On the other side was the entrance to the front hold. In the front hold was also a ‘sleeping cage’ for children. Sometimes the many children had to sleep together with their knees pulled up.
There was little comfort, but the skipper did not complain and called his small rear hold a very cozy home.”
The skipper’s wife, Schipperske, cooperated just as hard. She was a mother, was housekeeper and did the mastership, and if the family didn’t have enough money for a “Scheepsjager”, a person who with help of a horse would pull the ship along the water over the so-called “Jagerspaden”, then the woman was strained for the ship and she had to do this heavy work. The skippers used to say: “Wel sien wief laif het hold heur veur d”ogen” = “He who loves his wife keeps her before his eyes”.
Many Hekman skippers sailed from Groningen to Delfzijl and back on the Winschoterdiep. They transported grain and peat and later also wood.
The first skipper we find in our family is Jan Egberts Hekman (1768-1824). He exchanged his life as a farmer for a life as a skipper. Due to the many waterways in (north)Netherlands and the industry that developed along the waterside there was much demand for transportation of goods and people.
In the second half of the 19th century though the work of the skippers was threatened by the arrival of the train and the more extended network of roads on the land. Many Hekmen came ashore to work as a laborer or merchant.
My great-grandfather Jan Hekman (1837-1887) has been a skipper, my grandfather Edsko Hekman (1877-1956) never was.
I hope from the bottom of my heart that my foremothers never have been used as a “Scheepsjager”.
Photo: J.P. Koers, Midwolda, Groningen