Author Archives: Dochter van het Noorden

Unknown's avatar

About Dochter van het Noorden

We will only become ancestors when being remembered

THE LAST POST

Mijn moeder heeft mij regelmatig over haar oom Koenie verteld. Ze zei dan dat hij naar Amerika was gegaan, dat hij was gaan zwerven. Hij is de wildernis ingetrokken, zei ze dan,en nooit meer teruggekomen. Ik kon het verlangen in haar stem horen om ook de wereld in te trekken, net als haar oom. Haar verhaal en het feit dat de familie nooit heeft geweten wat er met Conrad, zoals hij zijn brieven ondertekent, is gebeurd hebben mij aangemoedigd om op zoek naar hem te gaan toen ik eenmaal met familieonderzoek was begonnen. Dat viel nog niet mee. Er was werkelijk niks over Conrad Müller te vinden. Op een gegeven moment vond ik een registratiekaart WWI van hem d.d. 5 juni 1917 en we hebben natuurlijk de plaatsnamen van zijn brieven: Coalinga, Sand Pass en Sheepshead.
En ik vond meer. Hier is het volledige verhaal.

My mother regularly told me about her uncle Koenie and how he ventured to the United States. “He went into the wilderness”, she said, “He wandered through the wilderness and never came back again.” I could hear a yearning in her voice to travel the world herself, like her uncle. Her story and the fact that the family has never known what happened to Conrad has encouraged me to go and search for him once I started exploring our family history. That was not an easy task. There was nothing to be found about Conrad Muller.
Here is the full story.

https://oostfrieseroots.wordpress.com/the-last-post/

IN LOVING MEMORY

“I’m not a hero. Any man that volunteered and went overseas was a hero” – Walter “Red” Asseltine

Read in English

Dit is het verhaal over mijn zoektocht naar de twee Canadese soldaten die aan het einde van de tweede wereldoorlog bij mijn ouders ingekwartierd zijn geweest. Het enige dat ik had waren hun namen, Walter en “Red” en een foto van Walter. Dat was alles.
Waar hebben deze luttele gegevens mij gebracht. Dat leest u hier.

Het verhaal begint met de bevrijding van mijn geboortedorp Oostwold, een dorpje in de gemeente Oldambt in de provincie Groningen.

De bevrijding van Oostwold

Uit het verslag van Onno S. Hovinga:

“Deze dag zullen we nooit meer vergeten”. Dat zeiden alle Oostwolmers, toen ons dorp op 15 april 1945 werd bevrijd door een klein groepje Belgische Para’s en Poolse Stoottroepen.

This image has an empty alt attribute; its file name is hoofdstraat-oostwold.png
Geallieerde tanks in de Hoofdstraat in Oostwold – Foto: Peter Akkerman

Zaterdag 14 april kenmerkte zich al door troepen Duitsers, die zich terugtrokken op Delfzijl en naar de Duitse bunkers die gelegen lagen bij Fiemel. Vrijwel geen enkele Oostwolmer waagde zich buiten.

‘s Avonds zagen we boven Winschoten tot twee keer toe geallieerde vliegtuigen uit de lucht duiken en begon het op enkele plaatsen te branden. In Winschoten was de strijd begonnen, wisten we toen. Wanneer zouden wij aan de beurt zijn?

Toch gingen we omstreeks twaalf uur naar bed gekleed en al. De volgende dag waren we heel vroeg op. Een laatste groepje Duitse soldaten trok nog met paard en zwaarbeladen wagen voorbij. Toen er niets meer langs kwam ben ik van de Moushörn naar het dorp gereden.

This image has an empty alt attribute; its file name is hotel-de-witte-zwaan-oostwold-foto-beeldbank-groningen.jpeg
Hotel “De Witte Zwaan” in Oostwold – bron: Privécollectie

Bij Hotel de “Witte Zwaan” was wat te doen. De Duitsers hadden daar een vrachtauto met open laadbak leeg achtergelaten en in brand gestoken. Enkele Oostwolmers waren onder aanvoering van brandstoffenhandelaar Edo de Jong bezig met enig bluswerk. Verder was er weinig te doen, maar onze K.P. (Knokploeg), aangesloten bij de L.O (Landelijke Organisatie) voor hulp aan onderduikers, begon tot leven te komen.

Einde Citaat.

De commandant van de KP is Edsko Hekman, de jongste broer van mijn (Tinah’s) vader. Als schuilnaam heeft hij Koos aangenomen en deze naam heeft hij zijn hele leven aangehouden. Ik ken hem niet anders dan oom Koos. Tot voor kort wist ik niet dat dit de naam was die hij tijdens het verzet had aangenomen en ook wist ik niet dat hij de commandant van zijn verzetsgroep was.

In overleg met commandant Koos Hekman en na raadpleging van de provinciale commandant van de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) besluit Onno Hovinga naar Winschoten te fietsen om de bevrijders te melden dat Oostwold vrij van Duitsers is.

This image has an empty alt attribute; its file name is 15-april-1945-bevrijders-in-winschoten.jpg
15 april 1945, Canadese bevrijders in Winschoten – Foto: http://www.wegnaardebevrijding.nl

Onderweg wacht hem een onaangename verrassing. Op een gegeven moment worden er granaten richting Winschoten geschoten. Maar door wie?

Na even te hebben geschuild fietst hij weer verder. In Winschoten gaat hij langs bij een contactadres. Hier ziet hij hoe de muur door granaten is geraakt maar dat de granaten niet zijn ontploft, niet op scherp staan.

Van der Veen van de Winschoter Courant, zijn volgende contactadres, is verbaasd dat Oostwold vrij van Duitsers is en dat er toch nog wordt geschoten. Omdat Onno vermoedt dat het hier gaat om proefschoten van de bevrijders om te zien of er nog Duitsers in Winschoten zijn, en zo ja, waar, besluit hij ze tegemoet te fietsen. In Oude Pekela vindt hij Poolse militairen. Deze zijn blij verrast te horen dat Oostwold vrij van Duitsers is. Ze hadden zich voorbereid op een bloedige strijd, niet op een feestje.

Nu hij zijn boodschap heeft afgeleverd wil Onno weer terug naar Oostwold maar dat vinden de Polen geen goed idee. Hij mag wel terug maar dan achter hen, niet voor hen uit. Zij zijn bang verraden te worden. En dus moet Onno wachten want de Polen liggen voor op hun schema en moeten rekening houden met de militairen in Veendam en Muntendam die oprukken naar Delfzijl.

Maar Onno wil niet wachten en blijft aandringen. Hij fietst weer terug naar Winschoten en verder om dan toch weer door Polen te worden tegengehouden. Uiteindelijk krijgt hij het voor elkaar om door te mogen naar Oostwold. De Polen herinneren zich de blije tijding die hij hen kwam brengen en laten hem gaan.

Onno Hovinga vervolgt in zijn verslag:

“Terug in Oostwold vertelde ik mijn belevenissen aan Jan Haan, bij wie de provinciale commandant van de BS ondergedoken had gezeten, en Edo de Jong. Omdat Oostwold nu vrij van Duitsers was en de bevrijders onderweg waren vond Edsko (Koos Hekman) het tijd de straat over te steken naar het huis van zijn ouders. Ze waren ten zeerste verbaasd dat hun zoon zo dichtbij ondergedoken had gezeten.

Vader Hekman had me verteld, toen ik eens een brief van Edsko had gebracht, dat hij dacht dat zijn zoon wel erg ver van huis in een gezonde lucht moest vertoeven, want hij schreef dat hij een paar pond was gegroeid. “Thuis bij het Koediep blijft hij maar erg mager”, zei Pa Hekman.

This image has an empty alt attribute; its file name is jeep-met-militairen-in-oostwold.jpg
De bevrijders van Oostwold – Foto: Peter Akkerman

Van twee tot half vijf heerste er die zondagmiddag een serene stilte in het dorp, niemand durfde nog de straat op.  Ik moet bij de fam. Hekman op bezoek zijn geweest toen we zeer veel lawaai hoorden op straat. “We zijn bevrijd!”, werd er geroepen. Via de Klinkerweg kwamen de eerste jeeps het dorp binnen rijden bevolkt door Belgische en Poolse militairen. Ze werden voorafgegaan door een Belgische officier, in een correct uniform, zwarte battledress, khaki kleurige broek en zwarte gepoetste laarzen, de rechterhand op de revolver. Al knikkend liet hij ons weten “jullie zijn vrij”.

Hoe het mogelijk is geweest is nauwelijks te begrijpen, maar de Belgen en de Polen waren nog maar enkele minuten in Oostwold of overal hingen de vlaggen uit, feest alom, ook bij de militairen.” 

Einde Citaat.

Om zeven uur ‘s avonds wordt de feestvreugde echter wreed verstoord door kanonvuur van de Duitsers, die in de Carel Coenraadpolder hun stellingen hebben betrokken.

This image has an empty alt attribute; its file name is boerderij-dhr.-l.-ebbens-aan-de-goldhoorn.jpg
Ingeslagen granaatscherven in de gevel van de boerderij “Kloosterheem” van dhr. L. Ebbens – Foto: Peter Akkerman

De boerderij van dhr. L. Ebbens aan de Goldhoorn, de Gereformeerde kerk, de woning op de Prinsenlaan en een aantal woningen aan de oostkant van de Hoofdstraat worden geraakt door rondvliegende granaatscherven.

De hele zondagavond tot in de morgen van maandag 16 april ligt Oostwold onder Duits vuur. Behalve de materiële schade die wordt aangericht, gaan ook nog vier mensenlevens verloren waarvan drie op de Noorderstraat, de buurt die het meest onder vuur lag. Maandagmiddag houdt het vuren op en komt het volk langzamerhand weer naar buiten de straat op.

De Polen blijven een week lang in Oostwold. De Belgen zijn ineens verdwenen. Zij willen niet in het middelpunt van de belangstelling staan. “Wij hebben gedaan wat we moesten doen en daarmee uit”.

De Polen worden afgelost door de Canadezen. Deze laatsten trekken weer verder op om de Duitsers het land uit te jagen. Het gevaar lijkt geweken. Echter, op 24 april komt toch nog een vijandelijke granaat midden in het dorp terecht waarbij een inwoner van Nieuwolda, die op bezoek is bij familie op de Bernhardlaan, dodelijk wordt getroffen.

Door het oorlogsgeweld branden de kapitale boerderijen van de heren O.S. Ebbens en J. Wiersema en de kapschuur van M.J. Nap in de Oostwolderpolder af.

Het is wel duidelijk hoe gevaarlijk het was om in die dagen in april 1945 in Oostwold te zijn. Mijn moeder staat op het punt te bevallen van haar eerste kindje en dus verlaten mijn ouders hun huis aan de Hoofdstraat en gaan naar Midwolda.

Daar wordt op 20 april 1945 mijn zusje, Jantje Anna, geboren.

Als mijn vader van het gemeentehuis terugkomt waar hij zijn dochter heeft aangegeven zegt hij tegen mijn moeder: “Weet je wel wie er jarig is vandaag?” “Nee”, zegt ze. “Hitler”, zegt hij. “Dan rust er geen zegen op dit kind”, zegt zij.

Twintig dagen later, 10 mei 1945, worden mijn ouders ‘s ochtends niet gewekt door het gehuil van hun baby. Als mijn moeder in de wieg gaat kijken ontdekt ze dat haar kindje dood is. Kleine Janneke is die nacht de zogenaamde wiegendood gestorven.

Na de Polen en Belgen komen op 24 april 1945 de Canadezen naar Oostwold. De soldaten worden bij de burgers ingekwartierd. Ook bij mijn ouders komen twee soldaten in huis, Walter en “Red”. Walter de stille van de twee. Als hij eten meebrengt zet hij het zonder iets te zeggen in de keuken neer. Mijn moeder zou het later wel vinden. Maar als “Red” iets meeneemt dan wordt alles wat hij heeft weten te bemachtigen op tafel uitgestald. Dat is alles wat we van ze weten. Dat, en dat ze uit Canada komen.

This image has an empty alt attribute; its file name is walter-nn-canadian-soldier-ww2-oostwold.png
Walter in battledress – Bron: Privécollectie

Van Walter hebben we nog een foto waarop hij staat in zijn battledress, zijn nette pak zou je kunnen zeggen. Ieder jaar haalde mijn moeder deze foto tevoorschijn. Ieder jaar zette ze de foto en de Nederlandse vlag in de vensterbank voor het raam als eerbetoon aan haar bevrijders. Dat heeft ze haar hele leven gedaan.

This image has an empty alt attribute; its file name is canadesedoos.jpg
Canadese doos met Maple Leaf – Foto: Privécollectie

Als tastbare herinnering is er nog een doos, een doos waar altijd mijn bouwblokjes in hebben gezeten. Op de deksel is een voelbare afbeelding van de Maple Leaf. Het is een doos waarin koekjes werden verpakt. Er staat nog op te lezen: Smith Crafted Chicago.

Of er weleens naar deze jongens is gezocht weet ik eigenlijk niet.

Maar op een gegeven moment besluit ik het erop te wagen. En zo begint een zoektocht naar de onbekende Walter van de foto in de laatste week van maart 2018.

Mijn eerste stap is de foto naar Peter Akkerman te sturen. Peter is beheerder van Historisch Oostwold Oldambt, weet veel van de plaatselijke geschiedenis en heeft jarenlang in dezelfde straat gewoond als mijn ouders. Hij heeft met eigen ogen gezien dat er ieder jaar vanaf 15 april een foto met een Canadese soldaat erop voor het raam stond bij mijn ouders. Ik stuur hem de foto ter verificatie. Hij bevestigt dat dit inderdaad de foto is. Dit is Walter.

This image has an empty alt attribute; its file name is hoofstraat-16-oostwold.png
Hoofdstraat 16 in Oostwold – Foto: Privécollectie

Walter, die in het huis heeft gewoond waar ik geboren ben. Hij heeft daar bij mijn ouders gewoond, heeft met hen gesproken, heeft eten voor ze meegebracht. Waar sliep hij eigenlijk, en “Red”. Was ‘t op zolder of in het kamertje waar mijn zus en ik later sliepen? Waarom weten we dat eigenlijk niet. Ik kan het nu niet meer vragen.

Nu ik weet dat de foto van Walter is moet ik zien te achterhalen van welk regiment hij deel uitmaakte.

Citaat: “Op 24 april 1945 brengt Luitenant-kolonel G.C. Corbould, de commandant van het Canadese Westminster regiment een bezoek aan het hoofdkwartier (H.Q.) van de “Royal Winnipeg Rifles’’ in Oostwold (voormalig Hotel de Witte Zwaan, omstreeks 1970 afgebroken) voor informatie. Omdat de Royal Winnipeg Rifles nog maar kort in de omgeving zijn hebben ze niet veel informatie beschikbaar.

This image has an empty alt attribute; its file name is the-official-lineage-of-the-royal-winnipeg-rifles-infantry-regiment..png
The official insignia of The Royal Winnipeg Rifles Infantry Regiment – bron: Wikipedia

Spoedig wordt daarom door Captain E.V. Ardagh een verkenning in dit gebied gemaakt om te kijken naar een plaats waar men zich veilig kan concentreren. Het overgrote deel van de “Westminsters’’ zit op deze 24ste april nog in Bedum en vertrekt om 09:15 uur in de morgen.

Om 11:15 uur komen alle commandanten van de verschillende compagnies en andere ondersteunende eenheden bijeen in Oostwold om het gebied in studie te nemen. Zoals ze nu zelf kunnen zien is het gebied hier zeer vlak en open met weinig of geen vuur- en zichtdekking. Met deze gegevens in het achterhoofd wordt het aanvalsplan besproken.

De A-Compagnie gaat om 18:00 uur als eerste in de aanval. Om 20:20 uur bereiken de eerste militairen het eerste doel met de codenaam “Granville”. Het is aan het punt waar de Lipskerweg bij de Midden- of Groenedijk komt (Lutje loug) aan het eind van de Polderweg ten noorden van Oostwold. De A-compagnie bereikt het doel zonder noemenswaardige moeilijkheden.

De C-Compagnie vertrekt iets later uit Oostwold rond 19:30 uur en komt ook in hetzelfde gebied zonder moeilijkheden aan. Af en toe vuurt de Duitse artillerie van “Batterie Dollart-Sud” op de troepen, de Canadezen zijn dus wel door de Duitsers opgemerkt. De Batterie ligt in de Carel Coenraadpolder aan hun rechterhand bij de dijk.

Kaart Noord-Oost Groningen – Google Maps

Rond 20:30 uur gaan Captain E.V. Ardagh en de verbindingsofficier Luitenant J.A. Fowlie vooruit om een “Tactical Headquarters” in te richten. Dit hoofdkwartier (HQ) is een vooruitgeschoven commandopost met gevechtsleiding van het regiment. Men heeft verbinding met het regimentshoofdkwartier en verder met de verschillende compagnieën en eenheden in de voorste gelederen.

Het regiment ligt rond middernacht in positie om de volgende dag de aanval richting Woldendorp in te zetten. Dit zoveel mogelijk als verrassing om te voorkomen dat ze zwaar onder vuur komen te liggen van de Duitse artillerie. Men kan zoals ook nu nog steeds in dit vlakke land met weinig bebouwing, kilometers ver zien. Gelukkig zijn de weinige bomen en struiken ongeveer geheel in blad en zijn er verder enkele huizen en boerderijen waar men in zichtdekking kan verblijven. Verder heeft men zicht- en vuurdekking van slootkanten en kanaalzijden en van de dijken en polders.

Het zware granaatvuur van de Duitse kustbatterijen zal hen de komende dagen danig parten spelen, want huizen geven buiten de aanwezige kelders hiertegen vrijwel geen bescherming. Het vervelende hiervan is, dat bijna elk huis, boerderij, schuur, bosje of hegje door de Duitsers wordt beschoten, waardoor er vele bebouwingen in brand raken.” Einde citaat.

Peter Akkerman kan zich veel herinneren uit de verhalen van zijn vader en zo weet hij mij te vertellen dat het Westminster Regiment in Oostwold gepositioneerd is geweest. Daarom zoek ik als eerste naar dit regiment. The Royal Westminster Regiment Association vind ik op Facebook. Ik laat een berichtje achter, de eerste van vele die nog zullen volgen, waarin ik de situatie uitleg en de vraag stel of iemand mij kan helpen bij mijn zoektocht naar Walter.

Tot mijn verbazing krijg ik al snel antwoord van kapitein Marguerite Samplonius. Het is me al eerder opgevallen dat mensen in de Verenigde Staten en Canada zeer behulpzaam zijn bij het zoeken naar informatie over mensen als ze weten dat je uit Nederland komt. Nederland heeft kennelijk een speciaal plekje in de harten van Amerikanen en Canadezen. Velen stammen dan ook af van Nederlanders.

Ook kapitein Samplonius reageert heel hartelijk en enthousiast en is zeker bereid om me te helpen. Haar eigen voorouders komen uit Friesland. Ze stuurt mijn berichtje en foto door naar Terry Leith van het Royal Westminster Regiment Historical Museum. Mr. Leith laat mij weten dat Walter niet bij de Westminsters heeft gezeten maar bij de Governor General’s Horse Guards. Dit kan hij zien aan het embleem op zijn pet. En dus verleg ik mijn aandacht naar de GGHG.

Citaat: “De 3rd Armoured Reconnaissance Regiment (3 Recce, “The Governor General’s Horse Guards”) was een legeronderdeel van de 5th Armoured Division, 5th Armoured Brigade, en scheept zich op 9 oktober 1941 in Canada in voor vertrek naar Engeland.

Op 19 december 1943 komen ze in Italië aan. Op 20 februari 1945 verplaatst het regiment zich, samen met het 1e Canadian Corps, naar Noordwest-Europa als onderdeel van Operation Goldflake waar zij tot het einde van de Tweede Wereldoorlog zullen vechten. Het regiment wordt op 31 januari 1946 ontbonden en heeft 71 slachtoffers en 210 gewonden opgelopen.” Einde citaat.

Ik schrijf een berichtje naar de Governor General’s Horse Guards en zij beloven mij mijn bericht met foto in de eerstvolgende nieuwsbrief op te nemen. Ze hebben weinig hoop want vele veteranen zijn inmiddels overleden. Ik struin nog wat rond op de website van de GGHG Society en vind daar het volgende bericht:

From: Governor General’s Horse Guards/Our Stories

November 23rd, 2015

This image has an empty alt attribute; its file name is grandpa-in-the-war.jpg
Walter Elliot Lee – Foto: Monica La Vella

My name is Monica and my grandfather fought in WW2. His name was Walter Elliot Lee and he passed away about 12 years ago. He was such a lovely man!

He never told us any stories about the war, but I know he was a part of the Governor General’s Horse Guards and fought mainly in Italy and the Netherlands, being a part of the Canadian forces that helped liberate the Netherlands. I am told he was either in B or C-squadron and was in charge of tanks.

I know this might be a long shot, but I was wondering if there was any information on him that may be in any historical documents? Or anyone alive who fought alongside him that I would be blessed to be able to speak to?

We are a homeschooling family and we are compiling a history of our family. We would be honoured to find out anything else about my grandfather’s role.

I would LOVE to hear stories about what he did or to hear from those he fought alongside. I’m determined to know anything I can find out, as there isn’t much we know. I want my children to know the important role of their great-grandfather and the bravery from which we came.

If there is any way you are able to help or can pass me along to someone/some place that can, it would be so greatly appreciated!

Monica La Vella

Mijn hart gaat sneller kloppen. Hier is een Walter die bij de Governor General’s Horse Guards zat, net als de Walter op mijn foto. Zou ‘t hem zijn?

Ik stuur Monica een bericht met de foto van onze Walter. Ze komt snel terug met een blije enthousiaste reactie. De foto heeft ze naar haar vader doorgestuurd. Deze laat ons weten dat de man op de foto niet zijn vader is.

Dat is teleurstellend. Toch gaan wij samen verder zoeken want Monica’s grootvader en onze Walter hebben allebei deel uitgemaakt van de GGHG.

This image has an empty alt attribute; its file name is shellcasingtermunten.jpg
Huls met opschrift “Termunten 1944” – Foto: Monica La Vella

Monica vertelt dat ze een huls heeft waarop “Termunten” staat. Ik zeg, “dan heeft hij in het Noorden van Nederland gevochten.”

Ook heeft ze een boek van de GGHG, Second to None, waaruit ze kopieën opstuurt over het moment waarop de GGHG van Italië naar Nederland optrok en de soldaten bij families ondergebracht werden. Tijdens het schrijven van dit verhaal, mei 2020, doe ik nog een poging om in contact te komen met de schrijver van dit boek, John Marteinson. Hij is een gepensioneerd kolonel en heeft behalve het boek over de GGHG ook fotoalbums samengesteld. Hem zou ik de onmogelijke vraag willen stellen of hij de man op de foto, Walter, ergens van herkent. Maar Kolonel Marteinson is helaas in 2006 al overleden.

Monica’s tante vindt een fotoalbum van Walter Lee waarin o.a. foto’s die in Nederland zijn gemaakt: Voor een hotel in Assen en van Fort Delfrl, nog 2 letters. “Delfzijl”, zeg ik. “Dan heeft hij meegevochten in de strijd om Delfzijl-Pocket!”

This image has an empty alt attribute; its file name is pic-two-of-the-fort.jpg
Fort Delfzijl – Foto: Monica La Vella

De foto van het fort vindt Monica terug op de website van Battlefieldtours in een artikel over de strijd om Delfzijl-Pocket.

Haar grootvader Walter Lee is in het Noorden geweest. Dat moest ook wel zo zijn want ook onze Walter is van de Governor General’s Horse Guards en was bij ons in het Noorden. Ik stuur de trouwfoto van mijn ouders. Mochten ze op een foto staan dan zijn ze makkelijk te herkennen. Maar ze worden niet gespot.

Dat Monica’s grootvader in het Noorden is geweest leidt geen twijfel. We hebben de huls met Termunten erop en de foto’s in zijn fotoalbum, met name die van Fort Delfzijl die overeenkomt met de foto in het artikel over de strijd om Delfzijl-Pocket.

Dan doet Monica nog een ontdekking die het bewijs sluitend maakt dat haar grootvader Walter Elliot Lee betrokken was bij de slag om Delfzijl-Pocket.

Ze schrijft op 30 maart 2018:

I just found a very old newspaper clipping that my grandpa had cut out and placed inside one of his old books. It is about the battle at Delfzijl and mentions my grandfather’s name as W E Lee. It also named a few more men that I’m wondering might give you a clue to your war hero.

Another name it mentions is Captain W S Jamieson from Toronto. I wonder if he could have also been a Walter?

This is the only clue I have found today 🙂

W S Jamieson is niet onze Walter, want Walter was geen kapitein maar korporaal.

Terwijl wij ons met Walter Elliot Lee bezighouden ontvang ik een berichtje van Peter Akkerman. Hij heeft een ongeopende envelop gevonden, een niet verstuurde brief die door zijn vader is geschreven en gericht aan de militair die bij hen ingekwartierd is geweest. Op de envelop staat een adres in Canada:

De ongeopende envelop – Foto: Peter Akkerman

Ik schrijf naar familie in Canada en naar Monica en laat een berichtje achter op de FB-pagina van Friends of Hutchison Street, de straat waar soldaat Stanley heeft gewoond. Ook schrijf ik weer naar de Westminsters en naar GGHG.

Ik breng Jarko op de hoogte die met me meezoekt. Jarko en ik hebben elkaar gevonden toen ik in 2016 familieonderzoek ging doen. Hij is een kei in het vak. Ik noem hem topdetective.

Verder schrijf ik naar verschillende websites, zoals Battlefieldtours.nu, go2war2.nl, tracesofwar.com en Veterans Affairs.

Ik vraag mij af of er een archief is waarin genoteerd staat welke militairen bij welke inwoners van Oostwold ingekwartierd waren. Ik vraag het de Gemeente Oldambt en zij verwijzen me naar het Cultuurhistorisch Centrum Oldambt. Helaas is er niets te vinden.

Op 3 april 2018 heeft Jarko een Walter “Red” Asseltine gevonden. Walter van de foto is korporaal, gezien de strepen op zijn mouw. “Red is dat ook. Het is opvallend dat hij Red wordt genoemd en weer gaat mijn hart sneller kloppen. Zouden we op het spoor van Red zijn?

Ik vind het overlijdensbericht van Reds vrouw en ontdek twee dochters. Ik schrijf een berichtje via Facebook aan een van hen en ook naar het William Osler Health Center, het ziekenhuis waar Red Asseltine is overleden. Zij zullen mijn berichtje doorsturen naar de familie. Ook benader ik nog iemand van de hockeyclub waar Red bij was.

Dan vindt Jarko de stamboom van Walter “Red” Asseltine, gemaakt door zijn dochter Susan. Ik schrijf haar een bericht en zij stuurt mij een mail. En dan komt Red Asseltine tot leven.

Corporal Walter “Red” Asseltine leans against a carrier in Holland in 1945 – bron: Ted Brown

The Reluctant Hero, by Ted Brown

The year was 1945.

Fighting had been fierce in Europe as the German army mounted what would ultimately become its last stand before being forced to surrender later that spring.

It was April 16, and in the town of Otterloo in Holland, the Irish Regiment of Canada was responsible for defending this town, a key point of advance for the 5th Canadian Armoured Division and the location of the Divisional Headquarters. It was an important piece of real estate in Holland at that moment.

Personnel of The Irish Regiment of Canada standing in front of a German roadblock and anti-tank ditch, near Otterloo, Netherlands, 16 April 1945.

During the night of April 16, and into the early hours of the 17th, a force of about 1,000 German troops supported by self-propelled guns attacked the town. As the night progressed, about 300 of the enemy worked their way into a vital sector of the town, and were dug-in along the road. It was not a good situation— the Irish Regiment was in an extremely precarious position.

A young corporal who hailed from Cabbagetown Toronto, was ordered to clear the enemy troops from the area. Only 25 years of age, he was a member of the carrier platoon, an outfit of 10 men responsible for transporting and fighting with flame throwing carriers, commonly referred to as WASPs. They were also armed with deadly Bren machine guns.

WWII – British – Universal Carrier Wasp IIC Flamethrower (Canadian version) – (Canadian War Museum, Ottawa, Canada)

According Regimental records, three carriers moved into the area, with the Cabbagetown corporal leading the way. In seconds, all three were hit with intense small arms fire, coming in from three sides, often at point blank range of four to five yards.

The corporal ignored the enemy fire, and opened fire with the flamethrower, spraying the ditches and the trenches on both sides of the road. It wasn’t a pretty sight as the flames cut through the darkness, leaving devastation and carnage in their wake.

Thirty yards up the road, a concealed enemy bazooka position opened fire on the carrier platoon— the second carrier was knocked out of action. The corporal saw the situation had become very serious— his colleagues were in extreme danger if that bazooka continued firing.

Grabbing a Bren gun, he rushed the position, and as the .303 rounds poured out of the barrel of the small gun, he emptied the clip into the crew of the bazooka, killing all of them in one deadly single burst. It was foggy- visibility was limited to 50 yards, yet he continued with the carrier, with complete disregard for his own welfare, continuing up the road for another 300 yards, until the fuel of the flame thrower ran out. He returned, picked up the crew of the disabled carrier, and returned to HQ to refuel.

As a result of that attack, the enemy was thrown into a state of panic. The key position had been swept clean, and returned to the Irish Regiment. By the time the early light of dawn seeped through the fog, 70 enemy troops lay dead along that road, and many others lay wounded. Demoralized by the dramatic change in the strategic picture, the enemy cleared out of the town, and the Irish Regiment of Canada once again held the town.

Distinguished Conduct Medal (DCM) source: Veterans Affairs Canada

For his bravery and quick thinking, that Cabbagetown corporal was to be presented with the Distinguished Conduct Medal, or DCM as it was affectionately called. Some members of his regiment, so thankful for his bravery, felt the Victoria Cross was in order.

But that soldier, Corporal Walter Asseltine, known to his outfit by the nickname Red, (a tribute to his flaming head of hair,) wasn’t feeling very good about himself. Ultimately, he had been responsible for the deaths of many more than the 70 enemy soldiers who had come into direct contact with his platoon. Many others had been driven out of their positions into the sights of the other infantry soldiers.

According to an account in the book The Irish Regiment of Canada, 1939-45, by Maj. Gordon Wood, the overall total enemy casualties from the fight was closer to 200, with 22 taken prisoner.

Walter Asseltine voelde zich geen held: “I’m not a hero. Any man that volunteered and went overseas was a hero”.

Vanwege zijn vlammend rood haar werd hij door iedereen “Red” genoemd, door familie en vrienden, mensen uit de hockeywereld en zelfs door de majoor van zijn regiment. Hij was voor iedereen gewoon “Red”. Zijn dochter bevestigt dit. Iedereen kende haar vader als “Red”. Ook mijn ouders hebben het altijd over “Red” gehad. Ze hadden twee jongens in huis, Walter en “Red”. Dat “Red” ook Walter heette wisten wij niet.

Als ik de foto van Red waarop hij bij zijn Brengun carrier staat aan Peter Akkerman laat zien zegt hij dat deze foto naar alle waarschijnlijkheid in Oostwold is genomen. Je moet wel heel goed kijken, zegt hij, maar hij herkent de plek. Het afweergeschut stond op de Goldhoorn en Peter meent de plek te herkennen.

Voor mij is het (zo goed als) zeker dat ik “Red” heb gevonden, dat Walter “Red” Asseltine onze “Red” is. Walter en “Red”, allebei korporaal, hebben bij mijn ouders in huis gewoond.

Insignia of “The Governor General’s Horse Guards” and “The Irish Regiment of Canada” – bron: Wikipedia – Pipesforfreedom

De legeronderdelen waar zij bij dienden, “The Governor General’s Horse Guards” en “The Irish Regiment of Canada”, vallen onder dezelfde commandostructuur nl. The 5th Canadian Armoured Division. Ook “The Irish Regiment of Canada” verplaatst zich, net als “The Governor General’s Horse Guards”, op 20 februari 1945, samen met het 1e Canadian Corps, van Italië naar Noordwest-Europa als onderdeel van Operation Goldflake.

Beide onderdelen, “The Irish Regiment of Canada” en “The Governor General’s Horse Guards”, zijn in de nacht van 16 op 17 april 1945 betrokken bij “de slag bij Otterlo”. Een woeste aanval van manschappen van drie Duitse divisies op dit dorp als vastberaden poging om de ‘veiligheid’ van West-Nederland te bereiken.

“The Irish Regiment of Canada” neemt posities in het westelijk deel van het dorp en de tanks van “The Governor General’s Horse Guards” stellen zich op in verschillende hoeken van het dorp. Plotseling werd Otterlo omgevormd tot een slagveld als honderden Duitse soldaten, losjes georganiseerd in gevechtsgroepen, door het dorp stormen, granaten gooien en in het wilde weg schieten.  

De officieren van “The Governor General’s Horse Guards” waren allen in de Hervormde kerk in Otterlo, toen de aanval begon en werden gedwongen daar te blijven tot de gevechten waren afgelopen. De sergeanten van het regiment en andere onderofficieren hadden geen moeite om de verdediging van hun posities te organiseren, waardoor sommigen zich afvroegen of ze überhaupt officieren nodig hadden.

Andere bronnen vermelden dat het hoofdkwartier (Divisional Headquarters) van de 5th Canadian Armoured Division zich bevond in een school naast de Hervormde kerk in Otterlo. Een Erica school bevindt momenteel nog steeds naast de kerk op het adres Kerkstraat 1.  

Vanuit Otterloo zijn ze naar het noorden getrokken, hebben deelgenomen aan de strijd om Delfzijl-Pocket en zijn daarna naar Oostwold en omstreken gegaan waar ze bij de dorpsbewoners werden ingekwartierd.

Gewapend met een foto ben ik op zoek gegaan naar de Canadese soldaten die bij mijn ouders ingekwartierd zijn geweest. De man van de foto, Walter, heb ik niet gevonden. De andere, Red, wel. Tenminste, dat dacht ik.

Het is de zomer van 2021. Ik besluit de papieren van mijn moeder uit te zoeken. Dozen en handtasjes vol kaarten, brieven, documenten, enz. Ik krijg hierbij hulp van dorpsgenote Petra. Op een gegeven moment vinden wij een envelop met brieven, handgeschreven brieven. Petra stelt voor dat zij ze voor me zal uittypen zodat ik ze via de computer kan lezen. Op 2 augustus stuurt ze me een document met brieven gericht aan mijn ouders en ik begin te lezen….

Oct 14, 1945
Mrs. H. Bratherton
R.R.I. Varna
Ontario, Canada

Dear friends,

I was surprised to have a letter from you bearing foreign postal stamps as I am sure it was very good of you to write us. My husband and I will keep your letter and remember the people who have been good to Walter in a strange land.

We also have another boy in Germany, he was wounded twice in the leg. He was in your country and got wounded trying to cross the Ryhny. Glad to say he is quite well now. Walter is in the army yet and I showed him your letter. He told us all about you and your husband. You have had your trouble.

We just have a schoolboy, John. He is 12 and he is quite pleased to see Walter back again. My word it is wonderful to see Walter looking so good.

I am enclosing you a photo of him. My mother and father are English. My 2 boys were born in England. We came out to Canada 14 years back. Both the boys have had the chance to see all our relatives.

It has been awful wet weather and it is quite a job to get our work done. I see by the papers we are having Dutch bulbs again. The people here sure did miss them.

So goodbye and good luck to you all. Anytime will be pleased to hear again from you.

Your loving friend Mr. and Mrs. H. Bratherton

Ik ben verbijsterd. Hier is een brief van de moeder van Walter, gewoon tussen de papieren van mijn moeder en wij, mijn zus en ik, hebben er nooit iets van geweten. We hebben het er weleens over gehad om de jongens te zoeken maar mijn ouders zeiden altijd dat ze niet wisten waar ze waren. En hier vind ik een brief van Walters moeder met best wel veel informatie over hun gezin.

Nu heb ik een achternaam en ik begin te googelen: Walter Bratherton. Ik vind meteen zijn overlijdensbericht. Daarin kan ik de namen van zijn kinderen lezen. Maar ook weet ik nu wanneer hij is overleden en waar hij is begraven.

Het is een gewoonte van me geworden om dan meteen naar de website Find A Grave te gaan om te kijken of er een gedenkpagina voor hem is gemaakt. Ik vind z’n familie wel, zijn ouders, vrouw en broers maar ik vind er geen van hem zelf. Ik maak een pagina voor hem en verbind hem met de anderen.

Het zou mooi zijn als ik familieleden zou kunnen vinden om alsnog de dankbaarheid van mijn ouders aan hen over te brengen.

Op Ancestry.com vind ik mensen die de Brathertons in hun stamboom hebben. Hen benader ik. Uiteindelijk kom ik in contact met Walters dochter. Zij bevestigt dat haar vader heeft verteld dat hij bij mijn ouders ingekwartierd is geweest maar de naam “Red” kan zij zich niet herinneren. Ik stuur haar de brief van haar oma en enkele foto’s.

Een paar maanden later kom ik in contact met een kleindochter van Walters broer Horace, de broer die ook in Duitsland en Nederland is geweest tijdens de oorlog.

Die middag in augustus 2021 als ik de brief van Mrs Bratherton vind, vind ik nog meer brieven uit Canada, en weer zit ik stil en ben ik verbijsterd. Waarom heeft mijn moeder nooit verteld dat ze in contact is geweest met zowel de familie van Walter als van “Red”. Ik begrijp het niet.
Maar deze goed bewaarde schatten worden nu aan mij geopenbaard. Na de brief van Mrs Bratherton vind ik brieven van Elsie DePlanché en zelfs een kort berichtje van…..”Red” Shorrock.

“Red”, daar ben je dan. Een kaart die hij aan mijn vader heeft gestuurd raakt mij het diepst. Hij heeft erop geschreven: “Write me soon “Yellow”, from “Red” Shorrock.
Mijn vader heet Jelle. “Red” noemde hem kennelijk “Yellow”.

En dit is wat “Red”‘s zus Elsie mijn ouders heeft geschreven:

Kerstkaart van Harold, Elsie en children Bobby, Patricia and Teddy

Elsie Deplanché
December 5, 1946

Dear folks,

I am Gordons’ sister ‘Red’. I hope you are all well. Gord was married on Sept 14th, 1946.
I hope you have a merry Christmas. Please let me know if you got this card as I would like very much to hear from you.

Your friend Elsie Deplanché and children

Elsie Deplanché
11 Wellington Street
St. Catharines, Ontario, Canada
12 April 1947

Dear friends,

I received our most welcome letter a week ago, but I am very sorry I can’t read Dutch. But a friend of my married a Dutch girl, and she just came over here about a month ago, so she wrote it in English for me. I would like it very much if you would exchange pictures with me, I will send a picture a little later, also something that is very hard for you to get over there.
I feel as though I know you people in Holland, as Red has told me so many nice things about you and your wife. What did you call your baby?

We are Catholics in religion. We live in the city but it is a very beautiful city. Did I tell you I saw princess Juliana when she visited our city a few years ago? A very charming person.
I might take you up on that invitation someday, as we like to travel. We just came back from California, USA, 2 years ago. We travelled all over USA when my husband was in civil service for the United States of America.

I will show your letter to ‘Red’ just as soon as I see him. Everyone her is just fine, hope you are the same. We still running our furnace, last year at this time it was very warm. I think the weather is changing.

I have another friend I write to in Holland, her name is Nienke Koning, Ooster Kade, Grijpskerk, Groningen. Is this place from where you live?

Well friends I will close now but I will write again. Very best wishes from your friends in Canada.

Sincerely Elsie Deplanché and family.

3 december 1948

Dear friends,

I hope you are all fine. I think of you people often. I got a card from a girl in Holland. She works at ‘Zonnegloren sanatorium, Soest’. Do you know where this place is? Her name is Nienke Koning. Hope some day to see you people. Have a lovely Christmas. We have not any snow yet.

Love from the family, our friend Elsie

Ik ben er stil van. Ik heb zo lang gezocht en hier vind ik “Stemmen” uit het verleden, getuigenissen van een communicatie tussen mijn ouders en de families in Canada. Nooit geweten. Hoe waardevol is dit.

Ik ga op zoek naar familie van “Red”. Ik moet er erg aan wennen om hem nu Gordon te noemen. Het is weer op Ancestry dat ik een kleinzoon van zijn zus Elsie vind. Hij is in eerste instantie de schakel tussen mij en de zoon van “Red’.

Familieonderzoek heeft een echte speurder van me gemaakt en het duurt niet lang of ik vind “Red”‘s zoon. Ik schrijf hem een bericht.

Het moet wel raar voor de familie zijn om ineens, na zoveel jaren, bericht uit Nederland te krijgen met de mededeling dat er lang naar hun vader is gezocht en hoe belangrijk het voor ons is ze eindelijk te hebben gevonden De Canadezen hebben altijd een bepaalde plaats gehouden in de harten van Nederlanders. Dat is voor de mensen van nu in Canada misschien moeilijk te begrijpen. De dochter van Walter Asseltine vertelde me dat de mensen in Canada er geen idee van hebben wat “wij” in Europa hebben doorgemaakt.

En dus is het best spannend om de directe familie van Walter en “Red” te benaderen.
Van “Red” vind ik geen overlijdensbericht, wel van zijn vrouw. Van beiden kan ik ook geen gedenkpagina op Find A Grave vinden en dus maak ik ze. Bij familieonderzoek en familiegeschiedenis hoort voor mij ook het maken van gedenkpagina’s, zodat graven digitaal bewaard blijven en de opschriften goed leesbaar blijven. Zodat zij die ons zijn voorgegaan zichtbaar zijn en daardoor blijvend herinnerd kunnen worden.

Van Walter wisten we al bij welk regiment hij diende, The Governor General’s Horse Guards. Van “Red” weten we dat niet.

Gordon “Red” Shorrock – Foto: Danny Shorrock

Ik schrijf naar de GGHG en zij bevestigen dat ook Gordon Shorrock lid was van de GGHG. Walter en hij zaten dus bij hetzelfde regiment. Een opmerkelijk feit is dat Gordon is geboren op 20 april, de datum waarop ook het eerste kindje van mijn ouders is geboren.

Ik bedank de dochter van Walter dat ze mijn post heeft willen beantwoorden. Zij schrijft over haar vader:

“My dad was a good man, and father. Dad built his own home in 1951. Worked in a factory building tires. On retirement he repaired small motors which he loved. He treated my husband like  a son.”

Ik bedank Gordon’s zoon voor het contact dat wij nu hebben. Dat is me zeer dierbaar. Hij heeft bevestigd dat het handschrift op de kerstkaart aan mijn vader het handschrift van zijn vader is.

Hij schrijft over zijn vader:

“My dad had a great sense of humour. He loved his family. He was a giving man and very humble. He would sacrifice a lot to help others.”

Gordon “Red” Shorrock – Foto: Danny Shorrock / Walter Bratherton – Foto: Obituary

En ik bedank jullie, “Red” en Walter, voor alles wat jullie voor ons hebben gedaan. Zulke jonge jongens, zo ver van huis, vechtend voor de vrijheid van anderen. Hoe bijzonder is dat. Wij zullen jullie nooit vergeten.

May You Rest In Peace

Ik bedank neef Don en neef Jarko voor de hulp die zij mij hebben geboden, waar nodig.

Bronnen

Dochter van Walter Bratherton

Zoon van Gordon “Red” Shorrock

Onno S. Hovinga, lid van de KP Oostwold

Peter Akkerman, Historisch Oostwold Oldambt

Monica La Vella, kleindochter van Walter Elliot Lee

Susan Asseltine Sage, dochter van Walter “Red” Asseltine

Ted Brown, Local Journalist Georgetown, ON, Canada

Captain Marguerite Samplonius van The Royal Westminster Regiment

Terry Leith van het Royal Westminster regiment Historical Museum

The Governor General’s Horse Guards Association

Battlefieldtours.nu

go2war2.nl

tracesofwar.com

© 2022

ENGLISH VERSION

“I’m not a hero. Any man that volunteered and went overseas was a hero” – Walter “Red” Asseltine

In Loving Memory

by Tinah Hekman Visser

This is the story of my search for the two Canadian soldiers who were billeted at my parents’ home at the end of World War II. At the beginning of my research all I had were their names, Walter and “Red” and a picture of Walter. That was all. In this account you will read where these few details led me.

Liberation of Oostwold

The story begins with the liberation of my native village Oostwold, a village in the municipality of Oldambt in the province of Groningen in the Netherlands.

The following details come from the account of Onno S. Hovinga:

“This day we will never forget”. That is what all Oostwolmers said when our village was liberated on April 15, 1945 by a small group of Belgian paratroopers and Polish Storm troopers.

Photo:  Allied tanks in the Hoofdstraat in Oostwold – Source: Peter Akkerman

Saturday, April 14, was already marked by the movements of German troops, who retreated to Delfzijl and to the German bunkers located at Fiemel. Virtually no Oostwolmer ventured outside.

In the evening above Winschoten we saw Allied planes dive out of the sky twice, and it started to burn in various places. We knew then that in Winschoten the battle had begun. When would it be our turn?

Finally, around midnight we went to bed fully dressed.  The next day we were up very early. The last group of German soldiers passed by with their horses and a heavy loaded truck. When nothing more came along I drove from the Moushörn to the village.

Photo:  Hotel “De Witte Zwaan” in Oostwold – Source: Private Collection

At Hotel “De Witte Zwaan” there was something to do. The Germans had left a truck with an open cargo box empty and set it on fire. Some Oostwolmers, led by fuel trader Edo de Jong, were busy with some fire extinguishing equipment. There was little else to do, but our A.P. (assault group), affiliated with the N.O. (National Organization) for helping people in hiding, began to come alive.”

The commander of the A.P. was Edsko Hekman, my [Tinah’s] father’s youngest brother. As a pseudonym he adopted Koos and kept this name all his life. I don’t know him as anything other than Uncle Koos. Until recently, I did not know that this was the name he had adopted during the resistance, nor did I know that he was the commander of his resistance group.

In consultation with commander Koos Hekman and after consulting the provincial commander of the NS (National Forces of the Interior) Onno Hovinga decided to cycle to Winschoten to report to the liberators that Oostwold is free of Germans.

Photo:  April 15, 1945, Canadian liberators in Winschoten – Source: http://www.wegnaardebevrijding.nl

On the way an unpleasant surprise awaited him. At a certain moment shells were being shot in the direction of Winschoten. But by whom?

After taking shelter for a moment he continued cycling. In Winschoten he headed toward his a contact address. Here he saw how the wall has been hit by grenades but that the grenades had not exploded.

His next contact address, Van der Veen of the Winschoter Courant, was surprised to hear that Oostwold was free of Germans and yet that there was still shooting. Because Onno suspected that these were test shots of the liberators to see if there were still Germans in Winschoten, and if so, where, he decided to cycle towards them. In Oude Pekela he found Polish soldiers. These soldiers were pleasantly surprised to hear that Oostwold was free of Germans. They had prepared for a bloody battle, not a party.

Having delivered his message Onno wanted to return to Oostwold but the Poles didn’t think that’s was a good idea. They allowed him to return but behind them, not in front of them. They were afraid to of being betrayed. And so Onno had to wait because the Poles were ahead of their schedule and had to take into account the soldiers in Veendam and Muntendam who were advancing towards Delfzijl.

But Onno did not want to wait and insisted. He cycled back to Winschoten, and further, only to be stopped again by Poles. Finally he managed to get through to Oostwold. The Poles remembered the happy tidings he had brought them and let him go.

Onno Hovinga continues in his account: “Back in Oostwold I told my experiences to Jan Haan, with whom the provincial commander of the NS had been in hiding, and to Edo de Jong. Because Oostwold was now free of Germans and the liberators were on their way, Edsko (Koos) thought it time to cross the street to his parents’ house. They were very surprised that their son had been in hiding so close by.

Father Hekman had told me, when I once brought a letter from Edsko, that he thought his son must have been very far from home in healthy air, for he wrote that he had grown a few pounds. “At home at the Koediep he’d stay very skinny,” said Pa Hekman.

Photo:  The liberators of Oostwold – Source: Peter Akkerman

 From two o’clock until half past four that Sunday afternoon there was a serene silence in the village, nobody dared to go out on the street.  I must have been visiting the Hekman family when we heard a lot of noise in the street. “We are liberated,” people shouted. Via the Klinkerweg the first jeeps entered the village filled with by Belgian and Polish soldiers. They were preceded by a Belgian officer, in correct uniform, black battledress, khaki colored pants and black polished boots, his right hand on the revolver. Already nodding he informed us “You are free!”.

It was hard to understand how it was possible, but the Belgians and the Poles had only been in Oostwold for a few minutes and  flags were flying everywhere, celebration everywhere, even among the military.”

At seven o’clock in the evening, however, the revelry was cruelly disrupted by cannon fire from the Germans, who had moved into their positions in the Carel Coenraadpolder.

Photo:  Shrapnel in the facade of the farmhouse “Kloosterheem” of Mr. L. Ebbens – Source: Peter Akkerman

The farm of Mr. L. Ebbens on the Goldhoorn, the Christian Reformed church, the house on the Prinsenlaan and some houses on the east side of the Hoofdstraat were hit by flying shrapnel.

Throughout Sunday evening into the morning of Monday, April 16, Oostwold was under German fire. Besides the material damage caused, four lives were lost of which three were on Noorderstraat, the neighborhood that was under the most fire. Monday afternoon the firing stopped, and the people gradually came out onto the streets again.

The Poles stayed in Oostwold for a week. The Belgians had previously suddenly disappeared. They did not want to be the center of attention. “We did what we had to do and that’s the end of it.”

The Poles were relieved by the Canadians. The Canadians moved forward again to chase the Germans out of the country. The danger appeared to be over. However, on April 24 an enemy shell landed in the middle of the village and killed an inhabitant of Nieuwolda, who was visiting relatives on Bernhardlaan. Because of the violence of war the large farms of O.S. Ebbens and J. Wiersema and the barn of M.J. Nap in the Oostwolderpolder were burnt down.

It is clear to me [Tinah] how dangerous it was to be in Oostwold in those days in April 1945. My mother was about to give birth to her first child, and so my parents left their house on Hoofdstraat and went to Midwolda. There on April 20, 1945, my sister was born, Jantje Anna, named after her mother, grandmother, great-grandmother, great-aunt and aunt.

When my father returned from the town hall where he registered the birth of his daughter he said to my mother, “Do you know who’s birthday it is today?” “No,” she said. “Hitler’s,” he replied. “Then there is no blessing on this child,” she said sadly.

Twenty days later, May 10, 1945, my parents were surprised not to be awakened in the morning by the cries of their baby. When my mother went to look in the crib she found that her baby had died. Little Janneke died that night of what is known as crib death.

After the Poles and Belgians left, the Canadians arrived in Oostwold on April 24, 1945. The soldiers were billeted in the civilians’ homes. Two soldiers, Walter and “Red,” came to live at the home of my parents. Walter was the quiet one of the two. When he brought food he put it down in the kitchen without saying anything. My mother would find it later. But if “Red” brought something then everything he managed to get was displayed on the table. That’s all we knew about them. That, and that they were from Canada.

Photo:  Walter in battledress – Source: Private Collection

Of Walter, we still have a picture of him standing in his battledress, his neat suit, you could say. Every year my mother would bring this picture out. Every year she put the picture and the Dutch flag in the window sill as a tribute to her liberators. She did that all her life.

Photo:  Canadian box with Maple Leaf – Source: Private Collection

Another souvenir of our Canadian liberators is “my Canadian box” that always held my building blocks. Today its holding other treasures. On the lid is a raised Maple Leaf. Its original use was as a box in which cookies were packed. One can still read the writing on it: Smith Crafted, Chicago.

I don’t really know if anyone has ever done research on who these young guys were.  But at some point I decided to take a chance. And so in the last week of March 2018 I begin the search for the unknown Walter of the photo.

My first step is to send the photo to Peter Akkerman. Peter is administrator of Historical Oostwold Oldambt, knows a lot about local history, and has lived for many years on the same street as my parents. He saw with his own eyes that every year from April 15 a picture of a Canadian soldier appeared in the window of my parents’ house. I send him the photo for verification. He confirms that this is indeed the photo. This is Walter.

Photo:  Hoofdstraat 16 in Oostwold  – Source: Private collection

I begin thinking about Walter, who lived in the house where I am born. He lived there with my parents, talked with them, brought food for them. Where did he and “Red” actually sleep? Was it in the attic or in the little room where my sister and I slept later? Why is it that we really never knew? I can’t ask anyone anymore.

Now that I know the photo is of Walter I have to find out which regiment he belonged to.

Through research I learn that on April 24, 1945, Lieutenant Colonel G.C. Corbould, the commander of the Canadian Westminster regiment visited the headquarters (HQ) of the “Royal Winnipeg Rifles” in Oostwold (former Hotel “de Witte Zwaan,” demolished around 1970) for information. Because the Royal Winnipeg Rifles had only been in the area for a short time, they do not have much information available.

Photo:  The official insignia of The Royal Winnipeg Rifles Infantry Regiment – Source: Wikipedia

Soon, therefore, a reconnaissance is made by Captain E.V. Ardagh in this area to look for a place to gather safely. The vast majority of the “Westminsters” are still in Bedum on this 24th of April, and they leave at 09:15 in the morning.

At 11:15 all the commanders of the various companies and other supporting units meet in Oostwold to study the area. As they can now see for themselves, the area here is very flat and open with little or no fire and visibility cover. With this information in mind, the plan of attack is discussed.

At 18:00, the A Company goes first into the attack. At 20:20 the first soldiers reach the first target with the code name “Granville”. It is at the point where the Lipskerweg joins the Midden- or Groenedijk (Lutje loug) at the end of the Polderweg north of Oostwold. The A Company reaches the objective without any significant difficulties.

The C Company leaves Oostwold a little later around 19:30 and also arrives in the same area without any difficulties. Now and then the German artillery of “Batterie Dollart-Sud” fired on the troops, so the Canadians were noticed by the Germans. The Batterie is situated in the Carel Coenraadpolder on their right hand side near the dike.

Map Noord-Oost Groningen – Google Maps

Around 20:30 Captain E.V. Ardagh and the liaison officer Lieutenant J.A. Fowlie move forward to set up a “Tactical Headquarters”. This Headquarters (HQ) is a forward command post with combat control of the regiment. One is connected to the regimental headquarters and further to the various companies and units in the forward ranks.

The regiment is in position around midnight to start the attack towards Woldendorp the next day. This strategy serves as much as possible as a surprise tactic to avoid coming under heavy fire from German artillery. One can see for miles and miles, as is still the case today in this flat land with few buildings. Fortunately, the few trees and bushes are almost completely leafy and there are also a few houses and farms where one can stay in sight cover. Further, one has sight and fire cover from ditch banks and canal sides and from the dikes and polders.

The heavy shellfire from the German coastal batteries will play havoc with them in the days to come, as, apart from the cellars, the houses provide almost no protection against it. The annoying thing about this is that almost every house, farm, barn, bush or hedge is shot at by the Germans, causing many buildings to catch fire.

Peter Akkerman remembers a lot from his father’s stories and so he tells me that the Westminster Regiment was positioned in Oostwold. That is why I do research for this regiment first. I find The Royal Westminster Regiment Association on Facebook. I leave a message, the first of many to follow, explaining the situation and asking if anyone can help me in my search for Walter.

To my surprise, I soon receive a reply from Captain Marguerite Samplonius. I have noticed before that people in the United States and Canada are very helpful in looking for information about people if they know you are from the Netherlands. Apparently the Netherlands have a special place in the hearts of Americans and Canadians. Many are therefore descendants of the Dutch.

Captain Samplonius also responds very warmly and enthusiastically and is certainly willing to help me. Her own ancestors come from Friesland. She forwards my message and photo to Terry Leith of the Royal Westminster Regiment Historical Museum. Mr. Leith lets me know that Walter was not with the Westminsters but with the Governor General’s Horse Guards. He can tell this by the emblem on his cap. And so I shift my attention to the GGHG.

The 3rd Armoured Reconnaissance Regiment (3 Recce, “The Governor General’s Horse Guards”) was an army unit of the 5th Armoured Division, 5th Armoured Brigade, and embarked in Canada on October 9, 1941 for departure to England. On December 19, 1943, they arrived in Italy. On February 20, 1945, the regiment, along with the 1st Canadian Corps, moves to Northwestern Europe as part of Operation Goldflake where they will fight until the end of World War II. The regiment is disbanded on January 31, 1946, having suffered 71 casualties and 210 wounded.

I write a note to the Governor General’s Horse Guards, and they promise to include my message with photo in the next newsletter. They have little hope because many veterans have died. I rummage around on the website of the GGHG Society and find the following message:

From: Governor General’s Horse Guards/Our Stories

November 23rd, 2015

Photo:  Walter Elliot Lee – Credit: Monica La Vella

My name is Monica and my grandfather fought in WW2. His name was Walter Elliot Lee and he passed away about 12 years ago. He was such a lovely man!

He never told us any stories about the war, but I know he was a part of the Governor General’s Horse Guards and fought mainly in Italy and the Netherlands, being a part of the Canadian forces that helped liberate the Netherlands. I am told he was either in B or C-squadron and was in charge of tanks.

I know this might be a long shot, but I was wondering if there was any information on him that may be in any historical documents? Or anyone alive who fought alongside him that I would be blessed to be able to speak to?

We are a homeschooling family and we are compiling a history of our family. We would be honored to find out anything else about my grandfather’s role.

I would LOVE to hear stories about what he did or to hear from those he fought alongside. I’m determined to know anything I can find out, as there isn’t much we know. I want my children to know the important role of their great-grandfather and the bravery from which we came.

If there is any way you are able to help or can pass me along to someone/some place that can, it would be so greatly appreciated!

Monica La Vella

My heart starts to beat faster. Here is a Walter who was with the Governor General’s Horse Guards, just like the Walter on the picture. Would it be him? I send Monica a message and include the photo of our Walter. She comes back very quickly with an enthusiastic reaction. She has forwarded the photo to her father. He let us know that the man on the picture is not his father. Very disappointing but we continue searching together for Monica’s grandfather and our Walter both who had participated the GGHG.

Photo:  Shell with “Termunten 1944” on it – Source: Monica La Vella

Monica shares that she has a shell with “Termunten 1944” on it. I say: “Then he has been fighting in the north of the Netherlands”. She also has a book about the GGHG, “Second to None”, from which she sends me photocopies of details about the time the GGHG moves from Italy to the Netherlands and the soldiers are billeted with families.

While writing this story in May 2020 I try to get in contact with the author of the book, John Marteinson. He is a retired colonel who, besides writing this book, also has composed several photo albums. I would like to ask him the impossible question if he recognizes the man on the picture. Unfortunately Colonel Marteinson has already died in 2006.

Monica’s aunt finds a photo album of Walter Lee with photos taken in the Netherlands: one in front of a hotel in Assen and one from Fort Delfrl, two more letters. “Delfzijl”, I say. “He has been fighting in the battle of Delfzijl-Pocket”.

Photo:  Fort Delfzijl – Source: Monica La Vella

Monica found the picture of the fort on the Battlefieldtours website in an article about the battle of Delfzijl-Pocket.

Her grandfather Walter Lee has been to the North. It had to be that way because our Walter is also from the Governor General’s Horse Guards and was with us in the North. I send her my parents’ wedding photo. Should they be in any of the photos it will be easy to recognize them. But they don’t show up.

That Monica’s grandfather was in the North leaves no doubt. We have the shell with Termunten on it and the photos in his photo album, especially the one of Fort Delfzijl which matches the photo in the article about the battle of Delfzijl-Pocket.

Then Monica makes another discovery that completes the evidence that her grandfather Walter Elliot Lee was involved in the battle of Delfzijl-Pocket.

She writes me on March 30, 2018:

I just found a very old newspaper clipping that my grandpa had cut out and placed inside one of his old books. It is about the battle at Delfzijl and mentions my grandfather’s name as W E Lee. It also named a few more men that I’m wondering might give you a clue to your war hero.

Another name it mentions is Captain W S Jamieson from Toronto. I wonder if he could have also been a Walter?

This is the only clue I have found today 🙂

W S Jamieson is not our Walter because Walter was not a captain but a corporal.

While we are dealing with Walter Elliot Lee I receive a message from Peter Akkerman. He has found an unopened envelope, an unsent letter written by his father, addressed to the soldier who was billeted with them. On the envelope is an address in Canada.

Photo:  The unopened envelope – Source: Peter Akkerman

I write to my family in Canada and to Monica and leave a message on the Facebook page of Friends of Hutchison Street, the street where Private Stanley lived. I also write again to the Westminsters and to GGHG.

I also notify cousin Jarko who is joining me on this adventure. Jarko and I found each other when I started doing family research in 2016. He’s a whiz at the job. I call him top detective.

I also write to several websites, such as Battlefieldtours.nu, go2war2.nl, tracesofwar.com and Veterans Affairs.

I wonder if there is an archive in which is noted which soldiers were billeted with which inhabitants of Oostwold. I ask the municipality of Oldambt and they refer me to the Cultural Historical Centre Oldambt. Unfortunately, nothing can be found there.

On April 3, 2018, Jarko finds a Walter “Red” Asseltine. Walter of the photo is a corporal, judging by the stripes on his sleeve. “Red” is as well. It is striking that he is called “Red” and again my heart starts to beat faster. Could this be “our” “Red”?

I find the obituary of “Red’s wife and discover two daughters. I write a message via Facebook to one of them and also to the William Osler Health Center, the hospital where “Red” Asseltine died. They will forward my message to the family. I also message someone from the field hockey club that “Red” attended.

Then Jarko finds the family tree of Walter “Red” Asseltine, made by his daughter Susan. I write her a message and she sends me an email. And then “Red” Asseltine comes to life.

Photo:  Corporal Walter “Red” Asseltine leans against a carrier in Holland in 1945 – Source: Ted Brown

The Reluctant Hero, by Ted Brown

The year was 1945.

Fighting had been fierce in Europe as the German army mounted what would ultimately become its last stand before being forced to surrender later that spring.

It was April 16, and in the town of Otterloo in Holland, the Irish Regiment of Canada was responsible for defending this town, a key point of advance for the 5th Canadian Armoured Division and the location of the Divisional Headquarters. It was an important piece of real estate in Holland at that time.

Photo: Personnel of The Irish Regiment of Canada standing in front of a German roadblock and anti-tank ditch, near Otterloo, Netherlands, 16 April 1945.

During the night of April 16, and into the early hours of the 17th, a force of about 1,000 German troops supported by self-propelled guns attacked the town. As the night progressed, about 300 of the enemy worked their way into a vital sector of the town, and were dug-in along the road. It was not a good situation- the Irish Regiment was in an extremely precarious position.

A young corporal who hailed from Cabbagetown Toronto, was ordered to clear the enemy troops from the area. Only 25 years of age, he was a member of the carrier platoon, an outfit of 10 men responsible for transporting and fighting with flame throwing carriers, commonly referred to as WASPs. They were also armed with deadly Bren machine guns.

Photo:  WWII – British – Universal Carrier Wasp IIC Flamethrower (Canadian version) – (Canadian War Museum, Ottawa, Canada)

According Regimental records, three carriers moved into the area, with the Cabbagetown corporal leading the way. In seconds, all three were hit with intense small arms fire, coming in from three sides, often at point blank range of four to five yards.

The corporal ignored the enemy fire, and opened fire with the flamethrower, spraying the ditches and the trenches on both sides of the road. It wasn’t a pretty sight as the flames cut through the darkness, leaving devastation and carnage in their wake.

Thirty yards up the road, a concealed enemy bazooka position opened fire on the carrier platoon; the second carrier was knocked out of action. The corporal saw the situation had become very serious; his colleagues were in extreme danger if that bazooka continued firing.

Grabbing a Bren gun, he rushed the position, and as the .303 rounds poured out of the barrel of the small gun, he emptied the clip into the crew of the bazooka, killing all of them in one deadly single burst. It was foggy- visibility was limited to 50 yards, yet he continued with the carrier, with complete disregard for his own welfare, continuing up the road for another 300 yards, until the fuel of the flame thrower ran out. He returned, picked up the crew of the disabled carrier, and returned to HQ to refuel.

As a result of that attack, the enemy was thrown into a state of panic. The key position had been swept clean, and returned to the Irish Regiment. By the time the early light of dawn seeped through the fog, 70 enemy troops lay dead along that road, and many others lay wounded. Demoralized by the dramatic change in the strategic picture, the enemy cleared out of the town, and the Irish Regiment of Canada once again held the town.

Photo:  Distinguished Conduct Medal (DCM) Source: Veterans Affairs Canada

For his bravery and quick thinking, that Cabbagetown corporal was to be presented with the Distinguished Conduct Medal, or DCM as it was affectionately called. Some members of his regiment, so thankful for his bravery, felt the Victoria Cross was in order.

But that soldier, Corporal Walter Asseltine, known to his outfit by the nickname Red, (a tribute to his flaming head of hair) wasn’t feeling very good about himself. Ultimately, he had been responsible for the deaths of many more than the 70 enemy soldiers who had come into direct contact with his platoon. Many others had been driven out of their positions into the sights of the other infantry soldiers.

According to an account in the book The Irish Regiment of Canada, 1939-45, by Maj. Gordon Wood, the overall total enemy casualties from the fight was closer to 200, with 22 taken prisoner.

Walter Asseltine did not feel like a hero: “I’m not a hero. Any man that volunteered and went overseas was a hero”.

Because of his flaming red hair, he was called “Red” by everyone, by family and friends, people from the field hockey world and even by the major of his regiment. He was simply “Red” to everyone. His daughter confirms this. Everyone knew her father as “Red.”

My parents, too, always talked about “Red.” They had two boys in the house, Walter and “Red”. That “Red” was also named Walter we did not know.

When I show Peter Akkerman the photo of “Red” on which he is standing near his Brengun carrier he says that this photo was probably taken in Oostwold. You have to look very carefully, he says, but he recognizes the place. The anti-aircraft gun stood on the Goldhorn and Peter believes he recognizes the spot.

For me (Tinah) it is (as good as) certain that I have found “Red”, that Walter “Red” Asseltine is our “Red”. Walter and “Red”, both corporals, lived in my parents’ house.

Insignia of “The Governor General’s Horse Guards” and “The Irish Regiment of Canada” – bron: Wikipedia – Pipesforfreedom

The regiments they served with fell under the same chain of command, namely The 5th Canadian Armoured Division. Also “The Irish Regiment of Canada”, like “The Governor General’s Horse Guards”, moved from Italy to Northwestern Europe on February 20, 1945, along with the 1st Canadian Corps, as part of Operation Goldflake.

Both regiments, “The Irish Regiment of Canada” and “The Governor General’s Horse Guards,” were involved in “the battle of Otterloo” on the night of April 16-17, 1945. A ferocious attack by men from three German divisions on this village was a determined attempt to reach the “safety” of the western Netherlands.

“The Irish Regiment of Canada” takes positions in the western part of the village and the tanks of “The Governor General’s Horse Guards” set up in different corners of the village. Suddenly Otterlo was transformed into a battlefield as hundreds of German soldiers, loosely organized into battle groups, storm through the village, throwing grenades and firing at random. 

The officers of “The Governor General’s Horse Guards” were all in the Dutch Reformed Church in Otterlo when the attack began and were forced to stay there until the end of the fight. The regiment’s sergeants and other non-commissioned officers had no trouble organizing the defence of their positions, leading some to question whether they needed officers at all.

Other sources mention that the headquarters (Divisional Headquarters) of the 5th Canadian Armoured Division was located in a school next to the Dutch Reformed Church in Otterlo. A school, named Erica school, is still located next to the church at the address Kerkstraat 1. 

From Otterloo they moved up to the north, participated in the battle of Delfzijl-Pocket and then moved to Oostwold and the surrounding area where they were billeted with villagers.

I had been searching for the two Canadian soldiers who were billeted with my parents back in WWII with only one photograph to lead me. The man in the photo, Walter, I did not find. The other one, “Red,” I did.

At least, that’s what I thought.

It is summer 2021. I decide to sort out my mother’s papers. Boxes and purses filled with cards, letters, documents, etc. Fellow villager Petra offers to assist me. At one point we find an envelope with letters, handwritten letters. Petra suggests to type them out for me so that I can read them on the computer.

On August 2, she sends me a document with letters addressed to my parents and I begin to read….

10-14-1945

Mrs. H. Bratherton

R.R. 1 Varna

Ontario, Canada

Dear friends,

I was surprised to have a letter from you bearing foreign postal stamps as I am sure it was very good of you to write us. My husband and I will keep your letter and remember the people who have been good to Walter in a strange land.

We also have another boy in Germany, he was wounded twice in the leg.  He was in your country and got wounded trying to cross the Ryhny. Glad to say he is quite well now. Walter is in the army yet and I showed him your letter. He told us all about you and your husband. You have had your trouble.

We just have a schoolboy, John. He is 12 and he is quite pleased to see Walter back again. My word it is wonderful to see Walter looking so good.

I am enclosing you a photo of him. My mother and father are English. My 2 boys were born in England. We came out to Canada 14 years back. Both the boys have had the chance to see all our relatives.

It has been awful wet weather and it is quite a job to get our work done. I see by the papers we are having Dutch bulbs again. The people here sure did miss them.

So goodbye and good luck to you all. Anytime will be pleased to hear again from you.

Your loving friends, Mr. and Mrs. H. Bratherton

I’m stunned. Here is a letter from Walter’s mother, just among my mother’s papers and we, my sister and I, have never known anything about it. We talked about searching the boys at times but my parents always said that they did not have any idea where to look for them. And here I find a letter from Walter’s mother with quite a lot of information about their family.

Now I have a last name and I start googling: Walter Bratherton. I immediately find his obituary. In it I can read the names of his children. And it tells me when he died and where he is buried.

It has become a habit of mine to then immediately go to the Find A Grave website to see if a Memorial Page has been created. I do find his family, his parents, wife and brothers but I don’t find a Memorial Page for him. And so I make one and connect him with the others.

It would be nice to find relatives to convey my parents’ gratitude to them.

On Ancestry.com I find people who have the Brathertons in their Family Trees. I message them.

Eventually I get in touch with Walter’s daughter. She confirms that her father told her that he was billeted with my parents but she cannot remember the name “Red”.

I send her her grandmother’s letter and some relevant photos.

A few months later I get in touch with a granddaughter of Walter’s brother Horace, the brother who was also in Germany and Holland during the war.

That afternoon in August 2021 when I found Mrs. Bratherton’s letter, I find more letters from Canada and again I sit still, and am stunned. Why did my mother never told me that she has been in contact with both Walter’s and “Red’s” families. I don’t understand.

But these well-kept treasures are now revealed to me. After Mrs. Bratherton’s letter, I find letters from Elsie DePlanché and even a short message from….. “Red” Shorrock.

“Red”, there you are. A card he sent to my father touches me most deeply. He wrote on it:

Write me soon “Yellow”, from “Red” Shorrock.

My father’s name is Jelle. “Red” apparently called him “Yellow”.

This is what “Red”‘s sister Elsie Deplanché wrote to my parents:

Christmas card from Harold, Elsie and children Bobby, Patricia and Teddy

December 5, 1946

Dear folks,

I am Gordons’ sister ‘Red’. I hope you are all well. Gord was married on Sept 14th, 1946. I hope you have a merry Christmas. Please let me know if you got this card as I would like very much to hear from you.

Elsie Deplanché

11 Wellington Street

St. Catharines, Ontario, Canada

April 12, 1947

Dear friends,

I received our most welcome letter a week ago, but I am very sorry I can’t read Dutch. But a friend of mine married a Dutch girl, and she just came over here about a month ago, so she wrote it in English for me. I would like it very much if you would exchange pictures with me, I will send a picture a little later, also something that is very hard for you to get over there.

I feel as though I know you people in Holland, as Red has told me so many nice things about you and your wife. What did you call your baby?

We are Catholics in religion. We live in the city but it is a very beautiful city. Did I tell you I saw princess Juliana when she visited our city a few years ago? A very charming person.

I might take you up on that invitation someday, as we like to travel. We just came back from California, USA, 2 years ago. We travelled all over USA when my husband was in civil service for the United States of America.

I will show your letter to “˜Red” just as soon as I see him.

Everyone here is just fine, hope you are the same. We still running our furnace, last year at this time it was very warm. I think the weather is changing.

I have another friend I write to in Holland, her name is Nienke Koning, Oaster Kade, Grijpskerk,  Groningen. Is this place far from where you live?

Well friends I will close now but I will write again. Very best wishes from your friends in Canada.

Sincerely Elsie Deplanché and family.

December 3, 1948

Dear friends,

I hope you are all fine. I think of you people often.  I got a card from a girl in Holland. She works at She works at ‘Zonnegloren sanatorium, Soest’. Do you know where this place is? Her name is Nienke Koning. Hope some day to see you people. Have a lovely Christmas. We have not any snow yet.

Love from the family, our friend Elsie

I am deeply moved by it. I have searched for so long and here I find “Voices” from the past, testimonies of a communication between my parents and the families in Canada.

I never knew. How valuable this is.

I also start looking for “Red”‘s relatives. I have to get used to call him Gordon now.

It is again on Ancestry that I find a grandson of his sister Elsie. He is primarily the link between “Red”‘s son and me.

Family research has made me a real sleuth and it doesn’t take long to find “Red”‘s son. I write him a message.

It must be strange, and even weird, for a family to suddenly, after so many years, receive a message from someone in the Netherlands saying: “I’ve been searching for your father. Back in WWII he stayed with my parents in the Netherlands. Its very important for us to finally have found him.” The Canadians have always held a certain place in the hearts of Dutch people. That may be difficult for people in Canada today to understand. Walter Asseltine’s daughter told me that people in Canada have no idea what “we” in Europe have gone through.

And so it is quite exciting to approach the immediate family of Walter and “Red”.

I can’t find “Red”‘s obituary, but I do find his wife’s. I can’t find a Memorial Page for either of them on Find A Grave, so I create them. For me, family research and family history also include the creation of Memorial Pages, so that graves are digitally preserved and the inscriptions remain legible. So that those who have gone before us are visible and can be remembered forever.

Gordon “Red” ShorrockSource: Danny Shorrock

From Walter we already knew which regiment he served with, The Governor General’s Horse Guards. From “Red” we don’t. I write to the GGHG and they confirm that Gordon Shorrock was a member of the GGHG. So Walter and he were in the same regiment.

A notable fact is that Gordon was born on April 20, the same date that my parents’ first child was born.

I thank Walter’s daughter for agreeing to answer my post. She writes about her father:

“My dad was a good man, and father.

Dad built his own home in 1951. Worked in a factory building tires. On retirement he repaired small motors which he loved. He treated my husband like a son.”

I thank Gordon’s son for the contact we now have. It is very dear to me. He has confirmed that the handwriting on the Christmas card to my father is his father’s handwriting.

He writes of his father:

“My dad had a great sense of humor. He loved his family. He was a giving man and very humble. He would sacrifice a lot to help others.”

Gordon “Red” Shorrock – Source: Danny Shorrock / Walter Bratherton – Source: Obituary

And I thank you, “Red” and Walter, for all you have done for us. Such young boys, so far from home, fighting for the freedom of others. How special that is. We will never forget you.

May You Rest In Peace

Big thank you to cousin Don and Jarko who assisted me where needed.

Sources

Daughter of Walter Bratherton

Son of Gordon “Red” Shorrock

Onno S. Hovinga, member of the KP Oostwold

Peter Akkerman, Historical Oostwold Oldambt

Monica, granddaughter of Walter Elliot Lee

Susan, daughter of Walter “Red” Asseltine

Ted Brown, Local Journalist Georgetown, ON, Canada

Captain Marguerite Samplonius of The Royal Westminster Regiment

Terry Leith of the Royal Westminster regiment Historical Museum

The Governor General’s Horse Guards Association

Battlefieldtours.nu

go2war2.com

Tracesofwar.com

© 2022

GROOTMOEDER ANNECHIEN / GRANDMA ANNECHIEN

Read in English

We schrijven 12 juli 2017. Vandaag gaan neef Adam uit New York, zus Janneke en ik naar de provincie Groningen om enkele plaatsen te bezoeken waar onze voorouders hebben gewoond. Adam en Janneke hebben elkaar nog niet ontmoet en kunnen niet wachten om elkaar vandaag eindelijk te zien.

Er is meteen een klik net als twee dagen eerder bij Adam en mij gebeurde toen wij elkaar voor het eerst ontmoetten. Is dit zoiets als familiebanden? Geen idee en om eerlijk te zijn maakt het mij ook niet uit. Het is wat het is en het voelt goed.

De autorit naar het noorden zal ongeveer 2,5 tot 3 uur duren, kostbare tijd die we gebruiken om elkaar bij te praten over ons leven.

Onze eerste stop zal Scheemda zijn. Op de Eexter Begraafplaats liggen onze betover-grootouders begraven. Hun grafstenen zijn er nog.

Van oorsprong vormde Eexta een dubbeldorp met Scheemda. Door de jaren heen zijn de twee dorpen steeds meer naar elkaar toe gegroeid en zelfs met elkaar vergroeid geraakt. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat Eexta in 1964 haar onafhankelijkheid is kwijtgeraakt en een woonwijk van Scheemda is geworden.

Eexta is in de 12de eeuw gebouwd op het schiereiland Winschoten. Het dorpje was kwetsbaar vanwege het water rondom. Het was een en al veengebied dat, eenmaal ontgonnen, geschikt was voor mensen om er te gaan wonen. De mensen leefden van het verbouwen van rogge en veehouderij.

De eerste kerk van Eexta, een zogenaamde Kruiskerk, is in de 13e eeuw gebouwd in Romano-Gotische stijl. De kerk met losstaande toren stond in het centrum van het kerkhof.

De mensen waren destijds katholiek. Na de reductie van de stad Groningen, in 1594, werden de mensen Nederlands Hervormd. De reductie van de stad Groningen houdt in dat Groningen in 1594 werd bevrijd van de Spanjaarden. Nederland zat op dat moment nog middenin de 80-jarige oorlog met Spanje.

In het midden van de rechter foto stond vroeger de Kruiskerk.

De Kruiskerk is in 1870 afgebroken nadat het enorme schade had opgelopen ten gevolge van een zware storm. De grond was nog steeds in eigendom van de kerk en dus werd de vrijgekomen ruimte opgevuld met graven.

En daar zijn wij, Adam, Janneke en ik, op weg naartoe, om de graven van onze betovergrootouders Edsko Jans Hekman en Annechien Hendriks Naaijer te bezoeken. Het is een koude winderige dag. Als we naar de graven lopen ril ik aan een stuk door. Ik kan het niet stoppen.

Als wij bij de graven staan en ik mijn handen op beide grafstenen leg merk ik dat de grafsteen van grootmoeder Annechien lager is dan die van grootvader Edsko Jans. Dat vind ik schokkend. Zelfs in de dood wordt duidelijk gemaakt dat de vrouw ondergeschikt is aan de man.

Edsko Jans is van groot belang geweest voor de Eexter gemeenschap als ouderling in de tijd van de Afscheiding, de tijd waarin de Hervormde Kerk werd opgesplitst in Hervormd en Gereformeerd.

Hij is ook van belang geweest voor zijn land tijdens de mars tegen de Belgen in 1831, reden waarom hij D’Olle Held (De Oude Held) werd genoemd.

Maar, hoe zit het met u, Grootmoeder Annechien? Voor wie was u van belang?

U was 16 jaar toen u met Edsko jans trouwde. Hij was schipper en dus ging u met hem op zijn schip wonen. Dit betekende weinig leefruimte en als schippersvrouw, Schipperske, net zo hard werken als de schipper zelf.

U heeft het leven geschonken aan 13-15 kinderen. Vanwege het reizende bestaan weten we niet zeker hoeveel kinderen het zijn omdat ze in verschillende plaatsen zijn geboren en niet alle geboorteaktes zijn teruggevonden.

Stel je eens voor wat voor leven dat is geweest. Wonen in de beperkte ruimte van een schip, keihard werken als schippersvrouw en zoveel kinderen dragen en baren om ze vervolgens weer te verliezen aan de dood, velen reeds op jonge leeftijd, anderen op oudere leeftijd.

Een vrouw die achter haar man staat, hem volgt en steunt op zijn reis door het leven. Als een vrouw van de 20ste/21ste eeuw vraag ik me af: hoe zat het met uw eigen leven?

Was u bang toen hij tegen de Belgen ging vechten? U was pas 17 en droeg uw eerste kind, het kindje dat doodgeboren zou worden.

Was u bang tijdens de godsdienststrijd? De Afgescheidenen werden vervolgd, kregen boetes of werden zelfs gevangengenomen en veel bijeenkomsten werden bij u op het schip gehouden. Wat dacht u? Wat voelde u?

Kon het geloof u de steun en troost bieden die u nodig had? Of haalde u de kracht om alles te doorstaan en de moed te vinden om door te gaan (ook) ergens anders vandaan?

Aan het eind van uw leven waren er nog maar twee kinderen bij u. Twee andere kinderen die nog in leven waren woonden in Amerika. De anderen waren allemaal overleden, als ook uw man.

Die dag in de zomer van 2017 als ik bij haar graf sta doe ik haar een belofte.

De belofte om op zoek te gaan naar de verhalen van de vrouwen van mijn familie, om naast de verhalen over de mannen die gemakkelijker te vinden zijn vooral mijn aandacht te richten op de verhalen van mijn voormoeders.

Na de Eexter Begraafplaats bezoeken we wat overgebleven is van de boerderij Amsingh Heerd. Hier heeft eens de voormoeder gewoond die onze familie haar achternaam heeft gegeven, Wendeltjen Jarckes Heckman. Over haar en Amsingh Heerd meer in een ander verhaal.

Bronnen:

J.P. Koers

Foto’s:

Janneke Hekman

Adam Good

Online-begraafplaatsen.nl

Uitvaartwinschoten.nl

Findagrave.com

Streekhistorisch Centrum Stadskanaal

English version

GRANDMA ANNECHIEN

Its July 12th 2017. Today cousin Adam from New York, sister Janneke and I will visit some ancestral sites in the Groningen Province. Adam and Janneke haven’t met yet and they are excited to see each other today for the first time in their lives.

There is an immediate click like two days earlier when Adam and I met each other for the very first time. Is it family bond? I don’t know and to be honest I don’t mind. It’s simply what it is and it feels Good!

It will be a 2,5-3 hour drive up to the north, precious time we use to update each other about our lives.

This image has an empty alt attribute; its file name is image.png

Our first destination will be Scheemda. Many Hekmans are born there on board of a ship. We will visit the Eexter Cemetery where our 2nd Great grandparents are buried. Their gravestones are still there.

Originally Eexta and Scheemda were a Twin Village. Due to expansion they, through the years, grew more and more towards and into each other which finally resulted in Eexta losing its independency and becoming a residential area of Scheemda.

Eexta is built in the 12th century on the Peninsula of Winschoten. A small village in a vulnerable area due to all the water around. There was only peat and the area has been cultivated for people to live there. People lived from stock breeding and growing rye.

The first church built there was a solid Cross Church. It was built in the 13th century after Roman Catholic tradition. The church and separate tower stood in the center of the graveyard.

In those days people belonged to the catholic church. From 1594, after the reduction of Groningen Town, the Dutch Reformed church became the common religion.

The reduction of Groningen Town means that Groningen Town was liberated from spanish influence. In 1594 the Netherlands were still involved in the 80-year war against Spain.

This image has an empty alt attribute; its file name is image-1.png

The Cross Church used to be located in the middle of the right photo.

The Cross Church is demolished in 1870 after having been severely damaged by a heavy storm. The church still owned the ground and so the empty space is filled up with graves.

This image has an empty alt attribute; its file name is image-2.png

And that’s where we, Adam, Janneke and I are up to, to the graves of our 2nd Great grandparents Edsko Jans Hekman and Annechien Hindriks Naaijer.

It is a cold and windy day. When we walk towards the graves I’m shaking all over.

Standing at the graves who stand side by side and laying both my hands on them I notice that the gravestone of Grandma Annechien is lower than the one of Grandpa Edsko Jans. This is very shocking to me. Even in death it’s clear that a woman is subordinate to a man.

Edsko Jans has been of importance for the Eexta community as an elder in the time of the Secession, the time the Dutch Reformed Church split in two: the Dutch Reformed Church and the Christian Reformed Church.

He also has been of importance for his country marching against the Belgians in 1831. He was referred to as d’Olle Held’ = The Old Hero.

But, what about you, Grandma Annechien? For whom were you of importance?

You were 16 when you married Edsko Jans. He was a skipper, so you came to live with him on a boat having few space and working as hard as he did as the skippers wife, the Schipperske.

You gave birth to 13-15 children. We don’t know for sure because of your traveling existence and giving birth to children in different places. Not all birth certificates have been found back.

This image has an empty alt attribute; its file name is veenkanaal-bron-streekhistorisch-centrum-stadskanaal.jpg

What kind of life must this have been? Carrying so many children, giving birth to them, losing many at young age and more at older age, living on a boat, little space, hard work.

A woman standing by her husband, following him on his journey through life. As a woman of the 20th/21st century I wonder, what about Your life?

Were you afraid when he went marching against the Belgians? You were only 17 and carrying your first child, the child that would turn out to be a stillborn.

Were you afraid because of the “religious war” going on in those years? The Secessors were persecuted, got fines or were even imprisoned and many gatherings were held on board of your ship. What did you think? What did you feel? Did the religion, your belief, give you the strength and solace you needed? Or, was there something else (too) that gave you the strength to survive and find the courage to go on?

At the end of your life only two children were alive and with you. Two more were alive but had moved to the United States and all others had died before you, as well as your husband.

That day standing at her grave I make a promise. I promise to go and search for the stories of the women of my family.

Finding stories about the men is much easier. But my main focus will be on the stories of my foremothers.

This image has an empty alt attribute; its file name is voorzijde-gevel-amsingh-heerd.jpg

After the Eexter Cemetery we visit the remains of the farm Amsingh Heerd. This is the place where once lived the foremother who gave our family its last name, Wendeltjen Jarckes Heckman. About her and Amsingh Heerd more in another story.

Sources:

J.P. Koers

Photos:

Janneke Hekman

Adam Good

Online-begraafplaatsen.nl

Uitvaartwinschoten.nl

Findagrave.com

Streekhistorisch Centrum Stadskanaal

HET VERHAAL VAN EEN ENGELTJE

Read in English

Het is 8 maart 1892. Er ligt een schip aangemeerd bij Ellis Island, New York. Het is de “SS Friesland” met aan boord emigranten uit Europa die in de nieuwe wereld, Amerika, een beter leven hopen te vinden.

Onder hen is Engeltje Hekman met haar man Fokko van der Laan, hun drie kinderen Berend, Egbert en Geert en Engeltje’s broer Egbert Hekman. Hun bestemming is Rock Valley, Iowa.

Engeltje Egberts Hekman wordt als dochter van Egbert Heckman en Elizabeth Goman op 13 juni 1862 geboren in Beerta, een klein dorpje in het oosten van de provincie Groningen, Nederland. Ze is de oudste van acht kinderen van wie een zusje slechts twee jaar wordt.

Haar vader is dagloner en er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om je te kunnen voorstellen dat het leven niet gemakkelijk was voor zo’n groot gezin. Als het jongste kind wordt geboren, in 1875, is Engeltje inmiddels 13 jaar. Het is goed mogelijk dat ze dan al aan het werk is om mee te helpen brood op de plank te krijgen.

In 1876 overlijdt vader Egbert en blijft moeder Elizabeth achter met zeven kinderen. Als Engeltje al niet aan het werk was dan zorgen de omstandigheden er nu wel voor dat ze aan het werk moet. Een gezin zonder hoofd die de kost verdient heeft geen inkomen. Engeltje gaat aan het werk als dienstmeid en misschien woonde ze zelfs in bij de familie voor wie ze werkte. Dat scheelde voor Elizabeth weer een mond om te vullen.

In 1880 hertrouwt Elizabeth met Geert Hulzing. Geert neemt drie kinderen mee uit zijn eerste huwelijk en samen krijgen ze ook nog drie kinderen waaronder een zoon Jan, die reeds in het jaar van zijn geboorte overlijdt.

Dit is wat ik vaak tegenkom en ik vraag me steeds weer af hoe de vrouwen dat toch allemaal voor elkaar hebben gekregen. Twee gezinnen komen samen nadat mensen hun wederzijdse partners hebben verloren en vormen zo een heel groot gezin. Bovendien kregen vrouwen tot op hoge leeftijd kinderen, vaak tot midden, of zelfs, eind veertig. Bij Engeltje zelf zal dat niet anders gaan.

Beerta, Groningen, Nederland

In mei 1884 trouwt ze met Fokko van der Laan, een boerenknecht uit Beerta. Wat zij gemeen hebben is dat ze allebei op 14-jarige leeftijd hun vader hebben verloren en het toeval wil dat hun moeders op dezelfde datum, 30 oktober 1880, opnieuw in het huwelijk zijn getreden.

Fokko en Engeltje krijgen in Nederland vijf kinderen van wie ze twee verliezen aan de dood. Elizabeth die slechts 11 maanden oud wordt en een doodgeboren meisje.

Het leven is niet gemakkelijk aan het einde van de 19e eeuw. Het werk als boerenknecht is keihard. De boeren laten hun arbeiders lang en hard werken tegen een zeer mager loon. Zij verrichten zelf de lichte werkzaamheden en laten het zware werk aan hun knechten over. Meestal wonen de boerenarbeiders in zeer schamele huisjes. Er is armoede en weinig tot geen perspectief op een goede toekomst.

Fokko’s moeder, stiefvader en broer Ben emigreren in 1887 naar Amerika, en ook broer Chris en zus Engeltje (ja, zijn zus heet ook Engeltje) verhuizen naar de andere kant van de grote plas.

Het is in 1892 dat Fokko en Engeltje zelf de oversteek wagen met hoop op een beter bestaan in hun nieuwe woonplaats Rock Valley.

Scheepsmanifest “SS Friesland”

Rock Valley heeft haar naam te danken aan de Rock River die door het noordwesten van Sioux County stroomt. Sioux County ligt in het noordwesten van de staat Iowa in de Verenigde Staten van Amerika en Rock Valley ligt in het noordwesten van Sioux County.

In 1879 werd de ligging van de plaats bepaald door kolonel A.J. Warren, een veteraan uit de burgeroorlog, die dit stuk land in eigendom had, en de Chicago Milwaukee & St. Paul Railway Company. Warren legde brede straten aan met aan weerszijde schaduwrijke bomen. Met paard en een wagen volgeladen met vaten water trok hij door de straten om de bomen zelf van water te voorzien. Ben van der Laan, broer van Fokko, heeft meegeholpen bomen te planten. Hij behoorde tot de eerste pioniers die zich in Rock Valley vestigden.

Maar ook toen Engeltje en haar gezelschap daar in 1892 arriveerde was Rock Valley nog een jonge stad en kun je de mensen die zich daar gingen vestigen ware pioniers noemen.

Er verandert veel voor het gezin Van der Laan – Hekman, zelfs hun voornamen worden veramerikaanst. Fokko heet voortaan Fred, hoewel sommigen hem ook Frank of zelfs Fokke noemen. Engeltje wordt Anna, hoewel ze zichzelf nog lange tijd Engeltje blijft noemen. Zoon Berend “Ben”, Egbert “Edward”, Geert “George” en broer Egbert Hekman wordt ook Edward. De achternaam van der Laan verandert in Vanderlaan of Vander Laan.

Fokke keert niet terug naar het boerenbedrijf maar gaat als baanwerker aan het werk bij de Spoorwegen, bij de Chicago Milwaukee & St. Paul Railway Company.

Op 9 januari 1894 wordt het gezin uitgebreid met een zoon, Fred Henry. Drie weken later slaat het noodlot toe.

Het is in de vroege ochtend van dinsdag 30 januari 1894 dat Fokke Vander Laan, zoals altijd, na zijn ontbijt de deur uit gaat om naar zijn werk te gaan.

Maar vandaag gaat hij niet rechtstreeks naar het werk. Hij loopt een tijdje rond in de tuin om dan het huis weer in te gaan.

“Is er iets aan de hand” vraagt Engeltje. “wil je misschien nog een kop koffie”.

“Nee”, antwoordt Fokko. “Maar iets zit me dwars en ik weet niet wat. Ik wilde je gedag zeggen”.

Hij kust haar en gaat dan de deur uit om dit keer wel rechtstreeks naar zijn werk te gaan.

Om 7:15 uur die ochtend ontspoort een goederentrein bij Rock Valley, door een scheur in de wissel, zo zal later blijken. De trein wordt uit het spoor geslingerd en verplettert een van de karhuisjes. Op dat moment is baanwerker Fokke Vanderlaan in dat huisje aan het werk. Hij is op slag dood. Engeltje blijft verslagen achter.

In De Volksvriend verschijnt deze advertentie:

“Heden trof mij de gevoeligste slag des levens doordat de dood onverwacht uit ons midden wegnam mijn geliefden Echtgenoot en der kinderen zorgdragenden Vader Fokko van der Laan in den ouderdom van slechts 35 jaar, mij nalatende 4 kinderen, allen nog te jong om hun zwaar verlies te beseffen. Mede namens de familie. E. VAN DER LAAN, geb. HEKMAN Rock Valley, Iowa, 30 Jan. ’94.”

(Over Fokko meer in een apart verhaal)

Het verhaal van Engeltje heeft me altijd diep geraakt. Een jonge vrouw die met man en kinderen, en haar broer niet te vergeten, naar een vreemd land verhuist met hoop op een betere toekomst. In plaats daarvan bevindt zij zich twee jaar later in zeer benarde omstandigheden. In die tijd kenden ze nog geen weduwenpensioen. Hoe doe je dat, vier kinderen en je zelf onderhouden, zonder inkomen. Ze had Fokko’s familie en haar broer natuurlijk in de buurt en ik neem aan dat zij haar zoveel mogelijk hebben geholpen, en wellicht de kerk, maar toch….

Wat Randy Porter, voormalig eigenaar van Porter Funeral Home van Rock Valley heeft ontdekt is, dat Engeltje een schadevergoeding heeft ontvangen van de Spoorwegen. Een krantenartikel naar aanleiding van Fokko’s dood meldt dat de spoorwegen schuldig zijn bevonden aan de dood van Fokko.

De Volksvriend meldt op 20 september 1894:

“De weduwe van Fokko van der Laan, den man die verleden winter in het sectie huis te Rock Valley door het derailleeren eener trein gedood werd, heeft tegen de C. M. and St. P. Ry. een eisch voor $15.000 schadevergoeding ingesteld.”

Via Randy’s speurwerk komen we erachter dat ze inderdaad geld heeft ontvangen, $1.000, omgerekend naar vandaag $31.000. Voor die tijd een fors bedrag. Bovendien ontvangt ze op 12 december 1894 $100 van Abram Warren. Jazeker, Kolonel Warren, de stichter van Rock Valley.

Wanneer Engeltje Rock Valley precies heeft verlaten weten we niet. Wel vertelt een record van de Minnesota Territorial State and Censuses ons dat Engeltje Hickman (Hekman) in 1895 in Rose Dell Township, Rock County, Minnesota, woont. Rock County ligt 50 mijl, dit is ongeveer 80 kilometer, ten noorden van Rock Valley. Ze kan daar met de trein naartoe zijn gegaan of met paard en wagen. Per boot was niet mogelijk, ook al stroomt de Rock River naar Minnesota.

Engeltje zien we terug als Anna Vanderline (dit moet natuurlijk Vanderlaan zijn) in de volkstelling van 1900 als inwoner van Rose Dell Township, Rock County, Minnesota.

Samen met haar vier zoons en broer Edward woont ze op een boerderij. Anna is het hoofd van de huishouding, waarschijnlijk omdat zij de huur betaalt. Ik kan me voorstellen dat zij van het geld dat ze van de spoorwegen heeft ontvangen de boerderij in Rose Dell heeft kunnen huren. Als haar beroep staat genoteerd “farming”.

Op 30 november 1901 treedt Engeltje Vanderlaan in Jasper, Rock County, Minnesota, in het huwelijk met Fred William Seeman.

Friedrich Wilhelm Seemann is op 20 mei 1861 in Sleeswijk-Holstein geboren. Hij is in 1883 naar Amerika gekomen en is in 1886 met zijn nicht Dora Seemann getrouwd met wie hij zeven kinderen heeft gekregen. Dora is in 1897 overleden.

Fred neemt dus zeven kinderen mee in zijn huwelijk met Anna. Dat kun je een forse uitbreiding van het gezin noemen. Maar het gezin is nog niet compleet. In 1902 wordt zoon Chris geboren, en in 1905 dochter Freida Louise.

Ook de familie is nog niet compleet. In 1902 komt Engeltje’s broer Luppo (Lapple) met zijn gezin naar Minnesota en in 1905 zus Jantje (Jennie) met haar gezin. Er wonen nu vier kinderen Hekman met hun gezinnen in Minnesota, reden genoeg om deze tak van onze familie de “Minnesotans” te noemen.

In mei 1903 verkoopt Anna haar huis in Rock Valley aan haar zwager Ben Vanderlaan en in 1904 verhuizen Fred en Anne met hun gezin naar de Seeman boerderij in Harlem Township, Sargent County, North Dakota.

1909, Seeman Farm, Harlem Township, Sargent County, North Dakota

In 1903 wordt Edward Hekman eigenaar van de Hekman boerderij in Good Hope, Norman County, Minnesota, waar hij tot zijn dood in 1944 zal blijven wonen, samen met het gezin van zijn broer Lapple. De boerderij is anno 2021 nog steeds in het bezit van de “Minnesotans”.

Hekman Farm, Good Hope, Norman County, Minnesota

Ik vraag me af wat Edward Hekman ertoe heeft gebracht van Jasper, Rock County, MN naar Good Hope Township, Norman County, MN te verhuizen. De afstand tussen deze twee plaatsen is 450 km!

In 1902 woont hij in Ada, de hoofdstad van Norman County. Dit weten we omdat broer Lapple in het scheepsmanifest van de “SS Statendam” als bestemming zijn broer Edward in Ada, Minnesota heeft opgegeven. Het lijkt er dus op dat Edward na het huwelijk van zijn zus Anne naar Ada is verhuisd. Wat heeft hem ertoe bewogen 450 kilometer vanaf Jasper te gaan wonen. Kende hij daar iemand?

Hoe dan ook, het is daar, rond Ada, dat de Hekman gezinnen zich vestigen. Alleen zus Anne en haar gezin gaan in North Dakota wonen.

De tijd verstrijkt en de kinderen worden groot. Ben, de oudste Vanderlaan zoon, werkt gedurende een jaar bij de spoorwegen maar kiest in 1904 voor het boerenbedrijf. Hij trouwt in 1908 met Georgiana Fulton en zij krijgen drie kinderen. Het gezin woont in Cogswell, Sargent County, North Dakota, waar zijn moeder en stiefvader in 1913 ook naartoe verhuizen.

Ben staat bekend als een succesvol bijenhouder. Fred Seeman, zijn stiefvader, is beroemd vanwege zijn uitstekende groente waar hij zelfs prijzen mee heeft gewonnen. Ed verdient de kost als timmerman, George als arbeider en Fred Jr. werkt op de boerderij. Later zal Fred Jr. ook timmerman worden.

De Eerste Wereldoorlog breekt uit en hoewel die zich in Europa afspeelt moeten de jongens Vanderlaan en Seeman zich registreren voor het leger. Opvallend is dat de registraties plaatsvinden aan het einde van WWI, nl. in 1917. Dit zie ik niet alleen bij de Vanderlaans en Seemans maar ook in andere families. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat President Wilson lang heeft geaarzeld om aan WWI deel te nemen en ook voor wie hij partij zou kiezen.

Ed en George vertrekken naar Europa, evenals een paar Seeman jongens. Fred Henry blijft in Amerika. Wel bijzonder dat Ed en George die in Nederland zijn geboren nu als Amerikaanse militairen naar Europa komen om ons uit de brand te helpen. Rond mei 1919 zijn ze allemaal weer thuis in Cogswell.

Als veteranen zullen zij, later, met militaire eer worden begraven en zal de laatste groet worden gebracht in de vorm van drie saluutschoten en het ten gehore brengen van de Last Post.

Fred Henry trouwt in 1922 met Fannie Noyes en gaat in Portland, Oregon, wonen. Fred en Fannie krijgen twee kinderen.

Op de foto van links naar rechts: dochter Roberta Fae Vanderlaan met haar zoon op de arm, Edmund Meling, de echtgenoot van Roberta, Fannie, Fred Henry en zoon Dean Cyril Vanderlaan.

Ed en George blijven vrijgezel, evenals, voor zo ver ik weet, alle Seeman zonen, behalve Chris (zoon van Fred en Anne). Hij vertrekt ergens eind jaren dertig naar California. De volkstelling van 1940 laat zien dat hij getrouwd is met een zekere Marguerite M. Marguerite is rond 1912 geboren in North Dakota en als haar laatste woonplaats staat Cogswell vermeld. Dit is het dorp waar Chris ook woonde. Marguerite M. zou Marguerite Meszaros kunnen zijn maar dat weten we niet zeker. Opvallend is wel dat in verschillende overlijdensberichten, bijvoorbeeld in die van Fred Seeman, vader van Chris, Marguerite nooit wordt vermeld.

Van Chris zijn wij het spoor verder kwijtgeraakt. Op basis van informatie uit de verschillende overlijdensberichten, van zijn ouders en (stief)broers, is het mogelijk dat hij rond 1955 is overleden.

Dochter Freida (Freda) trouwt in 1928 met Harold MCLaughlin. Zij krijgen samen drie kinderen van wie er op het moment van dit schrijven nog twee in leven zijn.

Op de foto van links naar rechts: Freida Louise Seeman McLaughlin, Engeltje Hekman Seeman en schoondochter Georgiana Fulton VanderLaan

Van Engeltje’s kleindochter heb ik gehoord dat ze zich Anne Seeman herinnert als een hele lieve oma, als een vriendelijke zorgzame vrouw. Het is wel heel bijzonder om een direct familielid te horen vertellen over iemand die je tot dan toe louter door informatie, die je op internet hebt gevonden, hebt gevolgd. Het lijkt erop dat Anne de tegenslagen van het leven goed heeft doorstaan, dat ze ondanks alles haar warmte en vriendelijkheid heeft weten te bewaren. Wat haar bron van kracht ook moge zijn geweest, voor mij is ze zeker een bron van inspiratie.

In de herfst van haar leven verliest Anne haar oudste zoon Ben die in 1938 ten gevolge van hartfalen overlijdt. In 1941 overlijdt na 40 jaar huwelijk haar man Fred.  In 1945 overlijdt stiefzoon Hank en in 1947 schoondochter Georgiana.

Anne Seeman, geboren Engeltje Hekman, overlijdt, 86 jaar oud, op 25 juli 1948 in Cogswell, Sargent County, North Dakota. Zij is begraven op Old Sargent Cemetery in Cogswell. Op haar grafsteen staat geschreven: MOTHER

Met dank aan iedereen die op welke manier dan ook heeft bijgedragen om dit verhaal te kunnen schrijven.

Foto credits:

  • Norway Heritage Collection
  • Peter Akkerman
  • Myrna Meling
  • Kleindochter van Anne Seeman, Minnesota
  • Bridgehunter.com
  • Iowaunsolvedmurders.com

Bronnen:

  • Kleindochter van Anne Seeman, Minnesota
  • Mike Gilbertson, Find A Grave contributor
  • Randy Porter, Rock Valley, Iowa
  • Sargent County Museum, Forman, North Dakota
  • Geboorte- en huwelijksakten (een overlijdensakte en overlijdensbericht van Anne Seeman heb ik nooit kunnen vinden)
  • Familysearch
  • Find A Grave
  • U.S. Federal Censuses
  • Krantenartikelen in De Volksvriend en De Grondwet
  • IAgenweb.org: Het artikel naar aanleiding van de dood van Fokko van der Laan en overlijdensberichten

En natuurlijk mijn medespeurders, mijn beide neven Adam en Jarko.

ENGLISH VERSION

It is March 8, 1892. A ship is docked at Ellis Island, New York. Its the “SS Friesland” with on board emigrants from Europe who hope to find a better life in the new world, America.

Among them is Engeltje Hekman with her husband Fokko van der Laan, their three children Berend, Egbert and Geert and Engeltje’s brother Egbert Hekman. Their destination is Rock Valley, Iowa.

Engeltje Egberts Hekman, daughter of Egbert Hekman and Elizabeth Goman, is born June 13, 1862, in Beerta, a small village in the east of the Groningen Province, the Netherlands. She is the first born of eight children. One sister dies at age two.

Certificate of Birth Engeltje Hekman

Father Egbert is a day laborer and it isn’t hard to imagine that life was not easy for such a large family. When the youngest child is born, in 1875, Engeltje is 13 years old and it is quite possible that she already was at work helping to get bread on the table.

In 1876 father Egbert dies leaving mother Elizabeth seven children to take care of. If Engeltje wasn’t at work by then, now circumstances are making her to do so. A family with no head of the household earning a living has no income.

Engeltje goes at work as a maid and maybe she even lived with the family she was working for. That would ease life a little bit for Elizabeth.

In 1880 Elizabeth marries Geert Hulzing. Geert brings three children with him from his first marriage and together they have another three, although one son, Jan, dies in his year of birth.

This is what I so very often encounter during this ancestral work, and I always ask myself how did they do it. How did women manage these incredible large families. After losing their partners people would come together in a marriage bringing with them their children from their former marriages and thus forming an incredible large family. Besides, women would give birth to children very often until their mid-forties, and even their late forties. For Engeltje this will be so too.

Beerta, Groningen, The Netherlands

In May 1884 she marries Fokko van der Laan, a farmhand from Beerta. What they have in common is that they both lost their fathers at age 14 and that it so happened that both their mothers remarried on exactly the same date: October 30, 1880.

Five of Fokko and Engeltje’s children are born in the Netherlands. Two of them they lose to death. Little Elizabeth dies when she is only 11 months old and there is a stillborn babygirl in 1890.

Life isn’t easy second half of the 19th century. Working as a farmhand is tough. The laborers have to work hard and long to receive only a very meager salary. The farmers themselves will do the light work and they will leave the heavy stuff for their servants. Laborers mostly live in paltry houses. They are poor with no perspective on a better future.

Fokko’s mother, stepfather and brother Ben emigrate to the United States in 1887. Soon after brother Chris and sister Engeltje (Yes, his sister’s name is also Engeltje) follow.

Its in 1892 that Fokko and Engeltje themselves venture to the United States with hope on a better life in their new residence Rock Valley.

Ship’s manifest “SS Friesland”

Rock Valley is named after the Rock River which runs through northwest Sioux County in Iowa. In the summer of 1879, the town of Rock Valley was platted by Colonel A.J. Warren, a Civil War veteran, and the Chicago Milwaukee & St. Paul Railway Company on ground owned by Warren. He laid out extra wide streets and planted many shade trees along the streets, which he watered himself by using a horse-drawn wagon with barrels of water on it.

Ben van der Laan, Fokko’s brother, has assisted him in planting the trees. He was one of the first pioneers who settled in Rock Valley but, when Engeltje and her family arrives there in 1892 Rock Valley still is a young city and those who settled there we absolutely can call pioneers.

Much is changing for the Van der Laan – Hekman Family. Their first names are americanized. Fokko becomes Fred, although some would call him Frank or even Fokke. Engeltje becomes Anna, although she herself will call herself Engeltje a long time after. Son Berend becomes Ben, Egbert “Edward”, Geert “George” and brother Egbert Hekman also becomes an Edward. Van der Laan changes into Vanderlaan or Vander Laan.

Fokke does not return to his former profession but becomes section hand for the Milwaukee & St. Paul Railway Company.

January 9th, 1894 their youngest son is born, Fred Henry. Three weeks later a disaster strikes.

On the morning of Tuesday January 30th, 1894 Fokke, as usual, eats his breakfast and then leaves the house for his work. But today he doesn’t go straight to his work but walks about the yard for some time instead and again returns to the house.

“is something the matter”, Engeltje asks. “Would you want another cup of coffee”.

“No”, Fokke says. “But something is bothering me, and I don’t know what and I wanted to bid you goodbye”

He kisses her and then leaves the house to, this time, go straight to his work.

At 7:15 AM that morning a railroad wreck occurs. The regular freight which leaves Rock Valley at that time starts west as usual. Crossing the Eden switch the trucks of the first car jump the track hauling sideways over the car houses which are situated between the tracks completely demolishing them. Fokke Vanderlaan who was at work as section hand in one of the houses is caught and instantly killed. Engeltje Vanderlaan stays behind, downtrodden.

In De Volksvriend, a Dutch emigrant newspaper, this advertisement appears:

“Today I suffered life’s most painful blow, as death unexpectedly removed from our midst my beloved spouse and the caring father of our children, Fokko van der Laan at the age of only 35 years, leaving me with 4 children too young to understand their heavy loss.  Also in name of the family, E VAN DER LAAN, nee HEKMAN Rock Valley, Iowa, 30 Jan 1894.”

(more about Fokko in a separate story)

Engeltje’s story has moved me deeply from the very beginning. A young woman who moves to a foreign country with her family with hope on a better life finding herself two years later in narrow circumstances instead. No widow’s pension back then. How do you do that. How do you take care of your four children and yourself without any income. Yes, Fokko’s family is around as well as her brother and they might have supported her as much as they could and probably the church, but still….

Randy Porter, former owner of Porter Funeral Home in Rock Valley discovers that Engeltje has laid a claim for the railroad company and that she, indeed, has received a certain amount of money.

A newspaper article states that the railroad company has been found guilty of Fokko Vanderlaans death. The train derailment was caused by a broken rod of the switch.

September 20th, 1894, De Volksvriend writes:

“The widow of Fokko Vanderlaan, the man who was killed last winter due to a train derailment, has laid a claim for the C.M. & St. P RY of $15.000.”

Randy’s research shows that Engeltje has received $1.000 which would be today $31.000. For those days a huge amount of money. Besides she receives Dec 12, 1894 $100 from Abram Warren. Yes, THE Colonel Warren, founder of Rock Valley.

When Engeltje exactly has left Rock Valley we don’t know. A record of the Minnesota Territorial State and Censuses though shows Engeltje Hickman (Hekman) living in Rose Dell Township, Rock County, Minnesota, in 1895. Rock County is located 50 miles, this is about 80 kilometers, north of Rock valley. She might have gone there by horse and carriage or even by train. By boat was not possible although the Rock River runs into Minnesota.

In the 1900 Census we see Engeltje as Anna Vanderline (this, of course, should be Vanderlaan) living at Rose Dell Township. She lives on a farm together with her four sons and brother Edward. Anna is the head of the household maybe because she paid the rent? I can imagine that due to the money she received from the railroad company was able to rent a farm. Her occupation listed on the Census is “farming”.

November 30th, 1901 Engeltje Vanderlaan marries Fred William Seeman at Jasper, Rock County, Minnesota.

Friedrich Wilhelm Seemann is born May 20th, 1861 at Sleeswijk-Holstein, Denmark. He arrives in the United States March 30th, 1883. In 1886 he marries his cousin Dora Seemann with whom he had seven children. Dora dies in 1897 and so Fred brings seven children with him in his marriage with Anna. This one can call a huge growth of the family.

But, the family isn’t complete yet. In 1902 son Chris is born, in 1905 daughter Freida Louise “Freda”.

Also, in 1902 Engeltje’s brother Luppo (Lapple) and his family comes across from the Netherlands to live in Minnesota and in 1905 sister Jantje (Jennie) and her family.
Now four children Hekman and their families live in Minnesota reason for us to call this branch of our family the “Minnesotans”.

In 1903 Anna sells her house in Rock Valley to her brother-in-law Ben Vanderlaan. In 1904 Anne and Fred move with their children to the Seeman Farm at harlem Township, Sargent County, North Dakota.

1909, Seeman Farm, Harlem Township, Sargent County, North Dakota

In 1903 Edward Hekman becomes the owner of the Hekman Farm in Good Hope Township, Norman County, Minnesota. He will live there till his death in 1944 together with Lapple’s family. Anno 2021 the Hekman Farm is still owned by the “Minnesotans”.

Hekman Farm, Good Hope, Norman County, Minnesota

I wonder why Edward Hekman moved from Jasper, Rock County, to Good Hope, Norman County, which is a distance of 450 kilometers! In 1902 he lives in Ada, capital city of Norman County. This we know because the Ships Manifest of “de Statendam” lists Lapple’s destination as his brother Edward in Ada. It looks like Edward moved to Ada after his sisters marriage in 1901. What made him go 450 km from Jasper? Did he know someone up there?

Anyway, its in the Ada area that Hekman families settled themselves except Anne who moves with her family to North Dakota.

Time goes by and the children grow into adulthood. Ben, the oldest Vanderlaan son works during one year for a railroad company but then, in 1904, chooses for a life as a farmer. In 1908 he marries Georgiana Fulton and they get three children. They live in Cogswell, Sargent County, North Dakota and its in 1913 that his mother Anne and stepfather Fred also move to the village of Cogswell.

Ben is known as a succesful beekeeper and Fred, his stepfather, is famous for his excellent vegetables for which he is awarded many times. Ed earns a living as a carpenter, George as a laborer and Fred henry works on the farm. Later Fred henry will become a carpenter as well.

The first World War is a fact and although it all happens in Europe the Vanderlaan and Seeman boys have to register for the army. Its remarkable that registrations take place at the end of WWI, in 1917. I don’t see this for the Vanderlaans and Seemans only, I see it in other families as well. An explanation for this might be that President Wilson has been hesitating very long to take part at the War and also which party to support.

Ed and George leave for Europe like some of the Seeman boys. Fred Henry stays in America. Its very special that Ed and George, born in the Netherlands, now come to Europe as American soldiers to help us out. About May 1919 everybody is back home again in Cogswell.

As Veterans they will be buried, later, with military honnors. Three gun salutes and The Last Post will be their last farewell.

In 1922 Fred Henry marries Fannie Noyes and they move to Portland, Oregon. They get two children.

From left to right: daughter Roberta Fae Vanderlaan with her son on her arm, Edmund Meling, Roberta’s husband, Fannie, Fred Henry and son Dean Cyril Vanderlaan.

Ed and George stay single like, as far as I know, all Seeman sons, except Chris (son of Fred and Anne). End 1930s Chris leaves for California. In the 1940 Census we find that he is married with a certain Marguerite M. Marguerite is born about 1912 in North Dakota. Her last residence is, according the Census, Cogswell the place where Chris also lived. Marguerite M might be Marguerite Meszaros but we aren’t sure about this at all. Remarkable is that in several obituaries such as the one for Fred Seeman, Chris’ father, Marguerite is never mentioned.

We lost track of Chris but based on information from those obituaries it might be that he died about 1955.

Freda marries in 1928 Harold MCLaughlin. They get three children of whom at the moment of this writing two are still alive.

From left to right: Freida Louise Seeman McLaughlin, Engeltje Hekman Seeman and daughter-in-law Georgiana Fulton VanderLaan

From Engeltje’s granddaughter I’ve heard that she remembers Anne Seeman as a loving grandmother, as a kind an caring woman. It is very special to hear an immediate relative tell about someone I’ve been with so long only via information found on internet. It sounds like Anne has dealt with life’s setbacks very well and that all that has happened could not chase away her warmth and kindness. Whatever her source of strength may have been, for me she surely is a source of inspiration.

In the Fall of her life Anne loses her oldest son Ben, in 1938, due to heart failure. In 1941 after a 40-year marriage her husband Fred Seeman dies. In 1945 stepson Hank Seeman dies and in 1947 daughter-in-law Georgiana Fulton Vanderlaan.

Anne Seeman, born Engeltje Hekman, dies, 86 years old, July 25th 1948 at Cogswell, Sargent County, North Dakota. She is buried on Old Sargent Cemetery at Cogswell. On her headstone we read: MOTHER.

Thanks to everyone who contributed in whatever way to make this writing possible.

Photo credits

  • Norway Heritage Collection
  • Peter Akkerman
  • Myrna Meling
  • Granddaughter of Anne Seeman, Minnesota
  • Bridgehunter.com
  • Iowaunsolvedmurders.com

Sources

  • Granddaughter of Anne Seeman, Minnesota
  • Mike Gilbertson, Find A Grave contributor
  • Randy Porter, Rock Valley, Iowa
  • Sargent County Museum, Forman, North Dakota
  • Birth and marriage certificates (I could never find a death certificate and obituary for Anne Seeman)
  • Familysearch
  • Find A Grave
  • U.S. Federal Censuses
  • Newspaper articles in De Volksvriend and De Grondwet
  • IAgenweb.org: The article about the death of Fokko van der Laan and obituaries

And, of course, my companions on the road of ancestral work, both my cousins Adam and Jarko.

OPA HEKMAN (1877 – 1956)

Mijn opa heet Edsko Hekman. In mijn tak van de Hekman familie is Edsko een veelvoorkomende naam. Ik heb altijd gedacht dat Edsko een typische Hekman naam was maar niets is minder waar. Daarom eerst een stukje genealogie.

We gaan terug naar 1665, het geboortejaar van Wendeltjen (Wendelke) Jarckes Heckman. Wendelke is geboren als dochter van Jarcko Hindriks Heckman en Ettien Jarckes Thedinghe in Hoorn onder Wedde, Westerwolde. Van Wendelke hebben wij onze achternaam gekregen. Zij kreeg het recht van representatie en mocht, na haar huwelijk, haar familienaam en familiewapen blijven dragen en doorgeven aan al haar nakomelingen, zowel mannelijke als vrouwelijke. Daarom beschouw ik haar als mijn Stammoeder. Over Wendeltjen in een ander verhaal meer.
Wendeltjen trouwt op 13 december 1691 met Jan Alberts. Ze verhuist van Westerwolde naar het Oldambt en gaat wonen op de boerderij Amsingh Heerd te Scheemda.
Hun zoon Albert Jans blijft na het overlijden van zijn ouders op Amsingh Heerd wonen. Hij trouwt twee keer. Voor ons is zijn tweede huwelijk van belang, het huwelijk met Jantien Jans.
Jantien Jans is de dochter van Jan Egberts en Hille Edzkens. Hun zoon Edzko, geboren in 1732, ook wel geschreven als Edsko, is dus genoemd naar zijn overgrootvader van moederskant. En zo is de naam Edsko onze familie binnengekomen.
Het is niet Edsko Alberts Van wie wij afstammen, maar van zijn broer Egbert Alberts. Hij en zijn vrouw Aaltien Berents krijgen een zoon Jan Egberts die ook in het verhaal over D’Olle Held ter sprake is gekomen.
Jan Egberts gaat de achternaam Hekman weer dragen.
Jan Egberts en Antje Pieters Bonthond krijgen een zoon Edsko Jans Hekman, D’Olle Held, (1803-1890) en deze Edsko Jans krijgt o.a. een zoon Jan Hekman.


Jan Hekman is mijn overgrootvader. Hij is geboren op 15 december 1837 te Scheemda. Ook Jan trouwt twee keer. En ook nu gaat het om het tweede huwelijk, en wel het huwelijk met Hilke van Dijk.
Zij trouwen in 1870 en in 1877 wordt mijn opa Edsko Hekman geboren, op 29 maart, in Oostwold.

‘t Koudaip, Oostwold

Het gezin woont in Oostwold, mogelijk aan ” ‘t Koudaip”. Jan Hekman is namelijk schipper. Echter, in die tijd gaat het de schippers niet meer zo voor de wind. Door de aanleg van wegen op het land en de komst van de trein gaat het transport steeds meer over land in plaats van over water. Veel schippers komen dan ook aan de wal om daar werk te vinden als arbeider in de fabrieken of op boerderijen of als zelfstandig ondernemer. Ook de vader van opa komt aan land en wordt dagloner.

Als opa tien jaar is overlijdt zijn vader. Moeder Hilke verdient de kost als koopvrouw.

Nieuwsblad van het Noorden 3 oktober 1935

Opa wordt geen schipper. Hij wordt postbode, eerst in Midwolda en later, als er bezuinigd moet worden, in Oostwold. In die tijd werkten postbodes ook op zondag en dat wordt een probleem. Opa is lid van de gereformeerde kerk en die vindt het niet goed dat hij op zondag werkt en sluit hem daarom buiten van bijzondere gelegenheden zoals het avondmaal. Dit leidt tot een conflict met als gevolg dat opa uiteindelijk de kerk de rug toekeert.

Antje Heikens en Edsko Hekman

Opa Hekman trouwt ook twee keer. In 1901 trouwt hij met Antje Heikens. Antje is geboren op 1 september 1882 in Midwolda. Samen krijgen ze twee kinderen, mijn tante Hilke in 1902 en mijn oom Luitjen in 1904. Het huwelijk is echter niet van lange duur. Op 22 januari 1907 overlijdt Antje en blijft opa achter met twee jonge kinderen. Nog datzelfde jaar trouwt hij met mijn oma, op 7 december, op haar verjaardag. Oma heet Remkiena Jantiena Frouwiena Potgiesser. Ze is op 7 december 1883 in Midwolda geboren als dochter van Jantje Koster. Het is haar grootvader, Derk Koster, die aangifte van haar geboorte doet. Als oma elf jaar is trouwt haar moeder met Jan Potgiesser. Hij geeft oma zijn achternaam. Ik vind het nog steeds vreemd dat hij als vader op oma’s geboorteakte staat. Hij is immers haar adoptief vader, niet haar biologische vader voor zo ver wij weten. Maar goed, hoe het ook zij, oma en opa trouwen op oma’s 24ste verjaardag.

Remkiena Jantiena Frouwiena Potgiesser en Edsko Hekman

Oma en opa krijgen samen vijf kinderen: tante Tientje (1908) naar wie ik ben vernoemd, oom Jan (1910), oom Jaap (1913), mijn vader Hendrik Jelle (1916) en oom Koos (1922).

1914 – Op de achterste rij van links naar rechts: oma Remkiena, Hilke, overgrootmoeder Hilke van Dijk, Luitjen en opa Edsko. Op de voorste rij van links naar rechts: Jaap, Tientje en Jan
1923 – Van links naar rechts: Jan, Luitjen, opa Edsko, Koos, oma Remkiena, Jelle (mijn vader), Tientje en Jaap

Mijn vader had een hekel aan school. Na de lagere school wil hij dan ook niet verder leren. Hij wil in de auto’s, hij wil monteur worden. Maar dat vindt opa geen goed plan. Hij stelt zijn zoon voor de keuze: of je gaat naar school om verder te leren of je gaat in de leer bij de kapper hier op het dorp om van hem het vak te leren. En zo is mijn vader kapper geworden. Op 17 mei 1934, slechts 17 jaar jong, opent hij zijn eerste kapsalon aan de Hoofdstraat in Oostwold.

Eerste kapsalon Hoofdstraat Oostwold

Het grappige is dat hij, tijdelijk, ook postbode is geweest, als bijbaantje na de oorlog, waarschijnlijk om wat extra geld te verdienen. Ook zijn oudere broer Jan is in de Post gegaan en is later beheerder geworden van het postkantoor in Nieuwlande, Drenthe.

Iedereen noemde mijn vader Jelle behalve zijn moeder. Zijn moeder noemde hem Hendrik. Ik herinner me nog hoe ik samen met mijn vader bij oma op bezoek ging. Ze was toen al ziek en lag in bed. Ze herkende steeds minder mensen. Toen wij binnen kwamen zei ze “Hendrik”… en ik voelde een sterke intieme band tussen moeder en zoon. Mijn vader zei “en wie is dit? “…”Tineke” zei ze. Haar zoon Hendrik heeft ze tot aan het einde toe herkend.

terug naar opa. Opa Edsko Hekman heeft op verschillende adressen in Midwolda gewoond. Wij zijn nog aan het uitzoeken op welke precies. Daar bestaat wat onduidelijkheid over.
Een paar krantenartikelen wijzen ons echter de weg.

In een krantenbericht in de Winschoter courant van 27 mei 1924 wordt het volgende vermeld:
MIDWOLDA, 26 Mei. De heer E. Hekman, dien we hier 30 jaren als ‘n ijverig en welwillend ambtenaar leerden kennen, zal, ook al vanwege de bezuiniging, binnenkort naar Oostwold worden overgeplaatst. De heer H. Veldman gaat vandaar naar Groningen, terwijl de heer W. Meijer op pensioen gaat. Men denkt het hier met een besteller en ’n hulp te kunnen doen.

30 januari 1926, krantenbericht in de Winschoter courant van 2 februari 1926 betreffende de aankoop van een woning achter het hotel “De Witte Zwaan” in Oostwold door postbode Hekman uit Midwolda.
Dit huis is te zien op de foto van opa en oma bij het Witte Huisje.

Later zijn ze op Hoofdstraat nr. 8 komen wonen. Ik heb niet meer dan vage herinneringen aan mijn opa. Ik was vijf toen hij overleed en vanaf mijn vierde jaar was ik veel van huis omdat ik op het Blindeninstituut in Bussum naar school ging, 200 kilometer ver weg. Alleen met de vakanties was ik thuis. Het huisje waar ze woonden aan de Hoofdstraat herinner ik me goed. De kamer, vierkant en niet zo groot, de tafel in het midden en een kastje langs de muur. Daarachter een tussenkamer met aan de rechterkant de bedstee met een gordijn ervoor en achter de tussenkamer de keuken. Ik kan de sfeer van het huisje nog om me heen voelen.

Ik herinner me ook opa’s tabaksdoos. Die stond bij ons thuis op de schoorsteenmantel.
Het kastje van opa en oma staat nu bij mij in de kamer.

Volgens de verhalen is het deze opa geweest die mijn ouders ervan heeft weerhouden naar Amerika te emigreren. Een verhaal dat ik als kind altijd weer wilde horen en dat één van de redenen is geweest dat ik me nu intensief met familieonderzoek bezighoud.

Een paar anekdotes
In het Nieuwsblad van het Noorden van 18 januari 1927 vinden we een leuk artikel.
MIDWOLDA, 17 Jan. De rijksveldwachter Lok van Scheemda werd heden met zijn politiehond door onze politie ontboden, omdat in den afgeloopen nacht een zwaar konijn was gestolen bij den postbode Hekman. Lok met zijn hond erop af, de hond werd lucht gegeven en fluks rende het dier op den dader af. Het konijn was reeds verkocht en werd te Winschoten opgespoord. De dader bekende.

En een anekdote, zoals aan mij verteld door een nicht Hekman:
“Het verhaal van Opa
Hij had altijd kippen en een haan.
Die hanen moesten van hem altijd mooi zijn, maar ook dat gedrag vertonen, dat Opa bedacht had, zoals bv eerst de kippen laten eten en daarna mocht de haan pas eten.
Deed hij dat niet, werd hij gedood en moest er een nieuwe haan komen.
Onderweg met zijn bestelronde, had hij er alweer een gezien en moesten de jongens met een jute zak die nieuwe haan halen.
De dorpsgenoten wisten van Opa’s gedrag en hadden een geintje uitgehaald en een haan geverfd.
Je snapt het al, opa had nog nooit zo’n mooie haan gezien.
Een zakje en halen die haan.
Ja, toen ging het regenen.
Die haan was snel dood.”

Mijn zus herinnert zich opa als een lieve man.

Edsko Hekman is op 21 november 1956 te Winschoten overleden. Zijn laatste woorden waren: “Moie. Goud om Moeke denk’n”
“Moeke” is op 7 mei 1964 te Winschoten overleden.
Beiden zijn begraven op de Algemene Begraafplaats te Oostwold.

Grafsteen Opa en Oma Hekman

SCHIPPERSKE

(To read in English, please scroll down)

Het is ongelooflijk hoe weinig ik van onze familiegeschiedenis wist. Ja, ik had een foto van ons familiewapen en een stamboom op papier, een lijst met namen en data, maar wat zegt dat nou helemaal. Nu, drie jaar nadat ik ben begonnen met familieonderzoek, is het niet te geloven hoeveel ik over mijn familiegeschiedenis heb ontdekt en kan ik me niet meer voorstellen dat ik dit slechts een paar jaar geleden nog niet wist.

Tijdens mijn contact met de schrijvers van het boek “He(c)kman in Noordoost Nederland” (Meindert van der Woude en Grietje Hekman) kwam ik erachter dat minstens zes generaties Hekman schippers zijn geweest.

Een van mijn geboortenamen is Edskiena. Edsko is in de familie Hekman een veel voorkomende naam, maar Edskiena komt voor zo ver ik weet slechts twee keer voor, t.w. in de geboortenaam van mijn tante en van mij. Toen Grietje Hekman mijn naam las in een van mijn emails aan haar kwam ze terug met: “Dag Schipperske, je naam vertelt me dat je voorouders schippers zijn geweest en dat je een echte Hekman bent.

Er zijn minstens zes generaties Hekman schippers geweest en de vrouw van een schipper werd schipperske genoemd. Schepen hebben vrouwelijke namen zoals de Marchiena van Pieter Hekman. Een schip zou Edskiena of Jantiena kunnen heten.” Grietje heeft me altijd Schipperske genoemd en dat heeft me om wat voor reden ook altijd veel gedaan.

 

Zoals gezegd, minstens zes generaties Hekman zijn schippers geweest. Zij leefden met hun grote gezinnen aan boord van hun schip. Hun leefruimte was klein, hun gezinnen groot. In een artikel over het leven van de Groninger Schipper in de 19e eeuw lezen we het volgende: “Het leven van een schipper en zijn gezin speelde zich af aan boord van zijn schip. Niet zelden verbleven ze met acht tot twaalf personen in het achteronder. “In een ruimte die op het land zelfs als woning van één mens zou worden afgekeurd, leeft daar een hele familie, slaapt er, kookt er, vertoeft er met slecht weer de hele dag, moet er alle huiselijke bezigheden verrichten…..”, aldus het verslag van een staatscommissie, naar aanleiding van veel binnengekomen klachten.
Op de vraag hoe dat mogelijk was, antwoordde de schipper: “Het ging gewoon .. hoe anders ?” Zelf vaak afkomstig uit een schippersfamilie, waren de schipper en zijn vrouw gewend aan de kleine ruimte. Veel persoonlijke spullen had men niet en de woonruimte was efficiënt ingedeeld. Hoe groter de schepen, hoe ruimer het achteronder. Het moest echter een grote tjalk zijn, waar het achteronder twee meter lang, drie meter breed en één meter tachtig hoog was.
Aan alle zijden van het scheepsachteronder waren langs de rondingen van het schip kastjes, zitbanken en bedsteden getimmerd. Achter onder het luik, de enige toegang tot de woonruimte, was een zogenaamde stapbank aangebracht die zowel tot zitplaats, tot bergplaats als tot opstap voor de uitgang door het luik dienst deed.
Een koekoek zorgde voor de lichtinval en ventilatie. Bij regenachtig weer moest het luik worden gesloten en liet de luchtverversing te wensen over. Licht kwam verder alleen binnen via twee kleine poortjes in de kont van het schip.
Men leefde aan dek, en alleen bij slecht weer, als men gedwongen was onderin te wonen, was het logies te klein. Zowel aan stuurboord als aan bakboord bevonden zich vrij ruime kastjes, kabinetjes genaamd. Midden tegen de wand met het ruim stond de kachel. Aan de ene zijde daarvan bevond zich de bedstede voor de schipper en zijn vrouw. Aan de andere zijde was de doorgang naar het ruim, waar ook de tweede slaapplaats, de kinderkooi, was te vinden. De kinderen sliepen soms met opgetrokken knieën en met meerdere bij elkaar.
Veel comfort was er niet aanwezig, maar de schipper klaagde daarover niet en noemde zijn achterondertje een zeer gezellig tehuis.”
Uit: Als de dag van gisteren: honderd jaar Groningers

bron-mok-werf-raalte  Foto: MOK-werf Raalte

De schippersvrouw, Schipperske, werkte net zo hard mee. Ze was moeder, deed het huishouden en het schipperswerk. En, als de familie niet genoeg geld had om een “Scheepsjager” te huren, een persoon die met behulp van een paard het schip door het water trok over de zogenaamde jagerspaden, dan werd de vrouw voor het schip gespannen en moest zij dit zware werk verrichten. De schippers plachten te zeggen: “Wel sien wief laif het hold heur veur d’ogen” ……… “Wie zijn vrouw lief heeft houdt haar voor zijn ogen”.

 

Veel Hekman schippers voeren op het Winschoterdiep van Groningen naar Delfzijl en terug. Ze vervoerden graan en turf en later ook hout. De eerste schipper die wij tegenkomen in onze familie is Jan Egberts Hekman (1768-1824). Hij verruilde het leven op het boerenland voor het leven op het water. Door de vele waterwegen in (Noord) Nederland en de industrie die zich rond de waterwegen had ontwikkeld was de vraag naar transport van goederen en personen groot.

In de tweede helft van de 19e eeuw werd het werk van de schippers bedreigd door de komst van de trein en het uitgebreide wegennetwerk op het land. Veel Hekmannen komen dan ook aan wal om daar als arbeider of koopman te gaan werken.

Mijn overgrootvader Jan Hekman (1837-1887) is nog schipper geweest, mijn opa Edsko Hekman (1877-1956) niet meer.

Ik hoop vurig dat mijn voormoeders nooit als Scheepsjagers zijn gebruikt.

Hoofdfoto: J.P. Koers

ENGLISH VERSION
Schipperske

It’s incredible how little I knew about our family history. Yes, I had a picture of our family crest and a pedigree on paper, a list of names and dates, but what does that say. Now, three years after I started researching family history and genealogy, it is unbelievable how much I’ve discovered and now I can hardly imagine that I didn’t know this just a few years ago.

During my contact with the authors of the book “He(c)kman in Noordosst Nederland” (Meindert van der Woude and Grietje Hekman) I discovered that at least six Hekman generations have been skippers.
One of my names of birth is Edskiena. Edsko is a common name in the Hekman family. As far as I know, Edskiena only occurs twice, in the name of birth of my aunt and me. When Grietje Hekman read my name in one of my Emails, she came back with: “Hi Schipperske, your name tells me that your ancestors were skippers and that you are a real Hekman.
There have been at least six generations of Hekman skippers and a skipper’s wife was called schipperske. Ships have female names such as the Marchiena of Pieter Hekman. A ship could have been named Edskiena or Jantiena.” Grietje always called me Schipperske which for whatever reason deeply touched me.

As said, at least six Hekman generations have been skippers. They lived aboard their ships with their large families. Their living space was small, their families large. In an article about the life of the Groninger Schipper in the 19th century we read:

“The life of a skipper and his family played out on board of his ship. Often from eight to twelve people lived in the rear hold of the ship. “In a space which on land, even as a dwelling for one person, would be condemned, there lived a whole family. There they slept, cooked, and during bad weather stayed for whole days, to perform all domestic duties.” This according to a report of a Government Commission investigating the complaints about the situation.
If you asked the skipper about this, he would answer, “that’s our life…what else? Often descendants of a skippersfamily, the skipper and his wife, had become used to the cramped quarters. They had few personal possessions, and the living space was efficiently organized. How larger the ship, how more space in the rear hold. If it were a large tjalk the rear hold might be 2m in length, 3m in width and 1.8m in height.
On each side of the ship’s rear hold were cupboards, benches and bunks built against the sloping sides. Below the trap door, the only entrance to the living space, there was a so-called step-bench, used as a seat as well as storage for the steps to the exit.
A sky-light provided light as well as ventilation. During rainy weather the trap door was kept closed and ventilation left much to be desired. The only other light came via two small port holes in the rear of the ship.
The deck was the living area and only by inclement weather was the family forced to live below and was the living area too small. Both on the port and starboard side were rather roomy cupboards (cabinets). A wall separated the front hold (the cargo hold) from the rear living quarters. Centered on the separating wall was the stove. On one side of the stove was the sleeping bench for the skipper and wife. On the other side was the entrance to the front hold. In the front hold was also a ‘sleeping cage’ for children. Sometimes the many children had to sleep together with their knees pulled up.
There was little comfort, but the skipper did not complain and called his small rear hold a very cozy home.”

The skipper’s wife, Schipperske, cooperated just as hard. She was a mother, was housekeeper and did the mastership, and if the family didn’t have enough money for a “Scheepsjager”, a person who with help of a horse would pull the ship along the water over the so-called “Jagerspaden”, then the woman was strained for the ship and she had to do this heavy work. The skippers used to say: “Wel sien wief laif het hold heur veur d”ogen” = “He who loves his wife keeps her before his eyes”.


Many Hekman skippers sailed from Groningen to Delfzijl and back on the Winschoterdiep. They transported grain and peat and later also wood.
The first skipper we find in our family is Jan Egberts Hekman (1768-1824). He exchanged his life as a farmer for a life as a skipper. Due to the many waterways in (north)Netherlands and the industry that developed along the waterside there was much demand for transportation of goods and people.
In the second half of the 19th century though the work of the skippers was threatened by the arrival of the train and the more extended network of roads on the land. Many Hekmen came ashore to work as a laborer or merchant.
My great-grandfather Jan Hekman (1837-1887) has been a skipper, my grandfather Edsko Hekman (1877-1956) never was.
I hope from the bottom of my heart that my foremothers never have been used as a “Scheepsjager”.

Photo: J.P. Koers, Midwolda, Groningen

JAPIEN HEKMAN 1878-1955

Japien Hekman – Bron: Gorecht – demensenvandestrokarton.nl

Read in English

Vandaag, 5 oktober 2019, is het 115 jaar geleden dat Japien Hekman met Marten Reukema trouwde. Hoe kon ik dat weten toen ik vandaag, 21 jaar geleden, met Yany Visser trouwde.

Japien Hekman is de dochter van Boelechien Bos en Pieter Hekman. Ze is geboren op 30 april 1878 in Oostwold, Gemeente Midwolda, Groningen. Oostwold, het dorp dat ook mijn geboorteplaats is. Japiens ouders waren schippers en zo kon het gebeuren dat haar broer en zussen in andere plaatsen werden geboren, haar broer en een zus in Scheemda, de jongste zus in Groningen.

Toen er aan het einde van de 19e eeuw steeds meer transport van goederen en personen over land ging in verband met de aanleg van een uitgebreider wegennetwerk op het land en in verband met de komst van de trein, werd het minder rendabel om schipper te zijn. Daarom verhuisde de familie Hekman naar Ulrum, een dorp in het noorden van de provincie Groningen, waar vader Pieter ging werken in strokartonfabriek Ceres.

Japien was modiste, een hoedenmaakster.

Japien trouwde in 1904 met Marten Reukema. Hoewel Marten in Ulrum is geboren woonde hij ten tijde van hun huwelijk in Hoorn, Noord-Holland. Marten werkte daar tijdelijk om het vak van bloemist / bloemenkweker te leren. Na verloop van tijd keerde hij met zijn gezin terug naar Ulrum waar zijn vader Koenraad Reukema een bloemenkwekerij en kassen had. Het eerste kind van Japien en Marten is in Hoorn geboren. De andere zes kinderen zijn in Ulrum geboren waarvan de jongste slechts een jaar oud is geworden.

Japiens ouders, haar broer en zussen zijn allemaal in het begin van de 20ste eeuw naar Amerika vertrokken en in 1948 emigreerde haar dochter Boelechiena Reukema Bosveld met man en kinderen, naar Canada. Kort daarna vertrok ook haar dochter Anna Elsiena naar Canada. Japien bleef achter in Nederland. Zij is nooit de grote oceaan overgestoken en heeft haar familieleden dus nooit meer teruggezien.

Op 4 april 1955 is Japien in Ulrum overleden, één jaar na haar man Marten.

Vandaag, de verjaardag van de trouwdag van ons allebei, zijn mijn gedachten bij haar wier verhaal mij toch een beetje melancholiek heeft gestemd.

Ik hef het glas op haar, op haar leven, en het mijne.

Op de foto de familie Hekman.

Foto: Martin Bosveld

ENGLISH VERSION

Today, October 5, 2019, it is 115 years ago that Japien Hekman married Marten Reukema. How could I know when I married Yany Visser this day 21 years ago.

Japien Hekman is the daughter of Boelechien Bos and Pieter Hekman. She is born april 30, 1878, in Oostwold, Midwolda, Groningen, also my place of birth.

Japiens parents were skippers and that is why her siblings were born in other places. Her brother and one sister were born in Scheemda, her youngest sister in Groningen.

At the end of the 19th century goods and people more and more were transported over land due to a more expanded network of roads on the land and the introduction of the train. For skippers it wasn’t viable anymore to stay on the water and so the Hekman family moved to Ulrum, a village in the north of the Groningen Province, where father Pieter started working at the Strokarton factory Ceres. Japiens profession was making hats.

In 1904 Japien married Marten Reukema. Marten Reukema is born in Ulrum but at the time of their marriage he lived in Hoorn, Noord-Holland. He was there to learn about how to grow flowers. After a while he returned with his family to Ulrum where his father Koenraad Reukema had a flower nursery and greenhouses.

Japien and Martens first child was born in Hoorn. The other six children were born in Ulrum. The youngest would live for only one year.

In the beginning of the 20th century Japiens parents and siblings all emigrated to the United States of America.

In 1948 her daughter Boelechiena Reukema Bosveld also left the Netherlands and emigrated with her husband and children to Canada.

Soon after also her daughter Anna Elsiena left for Canada. Japien stayed behind in the Netherlands. She never crossed the Big Pond to visit them. She never saw her family again.

April 4, 1955, Japien died in Ulrum, one year after her husband Marten.

Today, on the anniversary of both our weddings I reach out to her whose story made me feel a bit melo.

I raise a glass on her, on her life, and on mine.

Header: The Hekman family

Photo courtesy: Martin Bosveld